“Nederland niet geschikt voor…”, zou dat dier daar zich iets van aantrekken?

“Nederland niet geschikt voor oprukkende lynx, […]”. De Nederlandse natuur is dus niet geschikt voor bepaalde diersoorten. Maar heeft iemand dat wel aan die lynx verteld? Want laten dieren zich wel tegenhouden als ze eenmaal iets besluiten?

Groot wild in Nederland; het is al jaren een discussie. Eerst de wolf, nu de lynx, en af en toe huppelt er ook nog ergens een jakhals tussendoor. Het enige wat ik de afgelopen jaren niet heb gehoord is het woord “beer”. En ondertussen heeft iedereen een mening over het onderwerp van wilde dieren die zich in Nederland vestigen, iedereen behalve die dieren zelf. Want ik weet niet hoe het met jullie lezers zit, mijn wolfs is een beetje roestig…

De discussie onder mensen gaat vaak over of de vraag of dat wild al dan niet door de mens moet worden losgelaten in wildparken, of het zijn beloop moet kunnen nemen als een wolf op eigen poten de grens over trekt, of dat het gewoon . De daaropvolgende stelling is meer dan eens dat Nederland niet geschikt is voor… Maar heeft iemand dat ooit wel eens aan die dieren verteld? En laten zij zich wel tegenhouden door onze mening?

Oer

Als je het de stadsbewoners van Nederland vraagt lijkt het soms alsof de wereld altijd bedekt is geweest door asfalt en grote gebouwen. Grote dieren zijn leuk om te zien in een natuurpark of een dierentuin. Het zijn de figuranten in een sprookje. Bewoners van het platteland zijn beter gewend aan dieren die niet netjes binnen hun hekjes blijven staan, maar ook zij hebben al eeuwen geen grote roofdieren meer gezien. Niet sinds de wolf vanaf de 18de eeuw steeds zeldzamer begon te worden in Nederland. Daardoor kan makkelijk worden vergeten dat Nederland ooit wel degelijk het leefgebied was van groot – en mogelijk gevaarlijk – wild. De grottenleeuw – één van de grootste katachtigen die ooit op deze planeet heeft geleefd – zag de hoger gelegen gebieden van Nederland als zijn jachtgebied maar eerlijk is eerlijk, dat was minstens 12.000 jaar geleden.

Ook als men zich focust op de modernere tijd is er veel dierlijk leven te zien dat men zich anno nu niet voor kan stellen. Zo leefde er ooit pinguïns in Nederland, de reuzenalken, en zwommen er walvissen in de Wadden- en Noordzee. Even kijkend naar zoogdieren waren er ooit grote runderen als oerossen (volledig uitgestorven), wilde paarden, wolven, lynxen, beren, en elanden. En elke keer dat een dier verdween, veranderde ons ecosysteem. Eerst verdwenen de wilde paarden, het oeros legde het loodje, de beer stierf hier uit, toen de eland, en in 1845 besefte de wolf dat hij het ook niet meer volhield. En de mens raakte eraan gewend. Geen wolf, oké.

Wolven

Ooit dus uitgestorven, door jacht, door gebrek aan ruimte, en door gebrek aan geschikte prooien om op te peuzelen, en nu weer op eigen houtje terug aan het komen. De wolf kan het succesverhaal van groot wild in Nederland worden. Er zijn bezwaren: ze hebben ruimte nodig, jagen actief op ander wild, leven samen in roedels, maar ook hebben ze een hoog knuffelgehalte wat hun terugkeer in Nederland mogelijk makkelijker maakt. Dit komt gedeeltelijk doordat de wolf al jaren wordt geromantiseerd in films als Dancing with Wolves, Alpha, en tekenfilm Balto, samen met dat de mens het dier snel associeert met de door ons geliefde hond, wat ervoor zorgt dat de sociale wolf bij het grote publiek een stuk geliefder is dan die solitaire lynx.

En dus is er terughoudendheid over de wolf als wild dier in Nederland, en ook bereidheid om het dier te accepteren als medebewoner. De volgende vraag is of de wolf het zou overleven in Nederland, buiten de Veluwe en andere grote natuurparken om. De kans dat dat lukt is groot, want net als de beer staat de wolf bekend om zijn aanpassingsvermogen en bereidheid tot scharrelen om te overleven. Zo is er in Canada een roedel wolven die bijna volledig leeft op vis, visseneitjes en schaaldieren, een dieet dat in Nederland niet ongewoon zou kunnen zijn voor de viervoeters. Dit is de scheidslijn tussen dieren die het gaan redden in de huidige moderne landen, en welke niet: de kunde tot aanpassen.

Aanpassingsvermogen

Echte wilde dieren in de stad, onmogelijk. Ze zouden niet kunnen overleven tussen de vele auto’s, zouden omkomen van de honger bij gebrek aan prooidieren, en ze zouden nergens kunnen nesten. En nou net al deze aannames bleken verkeerd te zijn, door één simpel ding: aanpassingsvermogen. Al vele duizenden jaren volgen een paar diersoorten de mens op de voet. Duiven, mussen, muizen, en ratten wonen al in de buurt (of zelfs samen) van de mens sinds iemand besloot een huis te bouwen. En een graanschuur (vooral die graanschuur). Deze kleine en toch wilde dieren wisten te overleven tussen de mensen in hun nederzettingen, dorpjes, en later steden. En al snel werden ze  gevolgd door schuchterdere prooidieren zoals parkieten, konijnen, en wilde hamsters, die ook allemaal plekjes vonden om te eten, te schuilen, nesten te bouwen, en zo te overleven.

De prooidieren volgden de mensen, en de roofdieren volgden de prooidieren. Het idee van slechtvalken, vossen, dassen, en wasberen in steden als New York, London, en mogelijk ook Amsterdam is voor sommigen niet voor te stellen en toch is het allang geen verbeelding meer. Deze dieren overleven prima in stadsparken, oude en vervallen huizen, of in de nissen van torens. Tussen de huizen blijft het ‘s winters aanzienlijk warmer en is er een constante toevoer van voedsel (niet iedereen is kieskeurig over een vuilnisbak) waardoor zowel prooi- als roofdieren het niet meer nodig vinden om een winterslaap te houden. Er is geen tijd van schaarste meer waardoor de levenswijze is aangepast en waarmee de ondergang voor sommige soorten lijkt afgewend. Ooit bijna uitgestorven, slechtvalken en vossen zijn bezig met een flinke uitbreiding van hun grondgebied en daarmee weten ze ook hun nummers weer omhoog te brengen. En wie eenmaal in de stad is geboren vertrekt er zelden vandaan, met als gevolg meer en meer wild op de straten.

De terugkomst van dieren in de stad, en het toenemende groenbeleid van veel landen is een mooi gegeven, maar soms komt er iets rondwandelen dat een grotere impact heeft. Hondachtigen in het formaat van de wolf lijken nog erg schichtig te zijn rond mensen, net als grote katachtigen, maar ook bij hen begint het voor te komen dat ze steden in dwalen op zoek naar eten in tijd van schaarste. Voorop lopen de beren, van nature meer schooiers dan jagers, die door hebben gekregen dat het in steden wel heel makkelijk is om aan eten te komen. Als in een soort tekenfilm hoeven ze alleen maar de deksel van een vuilnisbak op te tillen, en wie houdt hen daarbij tegen? Het is een beer!

En Nederland?

Laten we terugkomen op wild in Nederland, die lynx voor wie er geen ruimte zou zijn, en de vraag of wild wel echt te stoppen is. Nederland heeft 41.543 vierkante kilometer grondgebied en twintig nationale parken. Een klein land waar het meestal regent en waar het concept wild dier voor de meesten bestaat uit een konijn en een boze gans. Een paar wildparken zijn bevolkt door groot wild zoals Schotse hooglanders, konikspaarden, en wisenten – deze laatste een soort die in de oertijd al uitstierf in Nederland -. Kleine wilde dieren die opnieuw zijn gevestigd in Nederland zijn de bever, wilde hamster, de otter, en de das. Maar roofdieren, daar vinden velen Nederland toch niet helemaal geschikt voor. Een collega vertelde me onlangs dat ze totaal geschokt was toen ze laatst een vos zag in één van de buitenwijken van Utrecht. Een vos! “Dat zo’n dier het in Nederland overleeft,” verbaasde ze zich. Toen we het later hadden over die otter en das, ook roofdieren, vond ze dat toch anders. “Vossen zijn zo groot.” Groter dan de vos krijgt geen toestemming de grens over te steken. Punt uit.

En grens open. Want achter onze ruggen om staken de wilde kat en de goudjakhals de menselijke scheidingslijnen tussen Nederland, Duitsland, en België over. Een verdwaalde wasbeer vestigde zich ook nog ergens, mogelijk ontsnapt of losgelaten en daarmee een invasieve soort. Enige tijd waren ze samen met de vos de top van de dierlijke voedselketen. Tot er woest gehuil klonk onder de volle maan op de Veluwe. En gebrul in de bossen van Limburg. Het is 2020, en grote territoriale en rondtrekkende roofdieren kijken naar Nederland om te zien of dat geschikt onroerend goed is om aan te schaffen. De eerste verkoop is al rond; villa Veluwe is van eigenaar veranderd. De goudjakhals heeft een groot gedeelte van zijn huis af moeten staan, want de wolf tolereert de kleinere hondachtige niet in zijn jachtgebied. De lynx is wel een potentiele huisgenoot voor het apex roofdier, zolang het geen tijd van schaarste is en ze elkaar aanvallen in de strijd om genoeg eten.
Wat deze grote dieren ook besluiten, de mens heeft er mogelijk aanzienlijk minder over te zeggen dan ze zou willen. En de Nederlandse natuur gaat er zeker weten door veranderen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

error: Content is protected!!