Share this

Als je het zou zien als een geheel van stenen, een samenraapsel van bouwmaterialen samengeperst tot een geheel dat een soort van staande blijft, dan is een tombe meestal weinig om te zien. En zo is het vaak ook, aan de buitenkant. Een ogenschijnlijk lelijk, soms ronduit grotesk geheel dat door de tand des tijds is gemarkeerd. De Egyptenaren hadden de piramides, in Orkney staan tombes die dateren uit Neolithische tijden, in Nederland hebben we de hunebedden.

Wanneer de tombes openen, is een stap terug in de tijd mogelijk. Een glimp in het leven van de overledene, een blik in een andere tijd. Slechts een seconde, even lang als een gedachte of een suggestie, meer wordt er niet gegund, maar het is er. Het bewijs dat het verleden echt heeft bestaan. In sommige gevallen lijkt het motto: hoe stoffiger, hoe beter. Want hoe stoffiger, hoe ouder. Maar niet in alles geldt dit.
De zegels verbroken, de deuren geopend, de poort naar deze vergane wereld en glorie op een kier gezet. De eerste stap naar binnen, een stap waarbij muffe lucht de longen vult en stof de adem beneemt. Vingers voelen hun weg langs een muur onaangeraakt gedurende honderden, misschien duizenden jaren. Muren gebouwd, en verlaten door mensen. Spoken dwalen hier, ingesloten en rustend. Daar is echter niemand in geïnteresseerd. Stap voor stap wordt het stof verstoord, wordt het verleden verdrongen door het licht van zaklampen, door het geroezemoes van stemmen uit het heden, zoekend naar tastbare objecten. Het gefluister van de bouwmaterialen, vastgehouden door zoveel handen, wordt overstemd. Goud, geschenken, een lichaam om te analyseren, het verleden ontrafeld als een bol wol. De tombe is geen tombe meer, het is deel van de tastbare geschiedenis, deel van de collectieve kennis.

“Hoe lang ligt dit ding hier al wel niet?” De laag stof op de kaft zorgt ervoor dat het boek uit de prehistorie lijkt te dateren. De spinnenwebben hebben het ding praktisch met de tafel laten vergroeien. “Geen idee, lekker laten liggen.”

Share this