Het einde van de regenboog

Photo on Foter.com

Zouden mensen nog weten dat ze bestonden? Ze betwijfelde het steeds meer, ook al bleven de ouderlingen zeggen dat er echt nog wel mensen waren die hen zochten. Die achter die pot met goud aanzaten. Dat goud dat de bron was van magie voor elfjes. Diezelfde stomme elfjes die hen hadden gefopt om op die stomme post te passen.
Brommend keek Siobhán om zich heen. Het grasland waar was uitgestorven, zoals altijd, en het enige leven in de buurt was aan de overkant van het meer. Uit de kleine haven daar kwam een kabaal dat ze na al die jaren herkende als ‘menselijke activiteit’. Het was kabaal waar ze ver vandaan moest blijven, in ieder geval zo ver mogelijk. Het was niet de bedoeling dat ze de pot alleen liet, zoals het net zo min de bedoeling was dat ze werd gezien of gevangen. En als ze dan gevangen werd moest ze al het mogelijke doen om te voorkomen dat ze werd gedwongen tot het vervullen van drie wensen. Nu was dat niet zo moeilijk, dat wist zelfs een jonge leprechaun als zijzelf. Mensen waren makkelijk genoeg te verleiden met goud, dat was les 1 uit Leprechauns-voor-Dummies. Zo noemde zij de lessen tenminste. Ze hadden altijd weinig inhoud gehad, en ze zag er tevens het nut niet van in. De mensen geloofden immers niet meer in hen!

Over het water klonk het geronk van een tractor, Siobhán hoorde het geluid van stemmen die naar elkaar riepen, het gekletter van kabels en kettingen tegen metaal en hout. Ze zag mensen in hun metalen karren aan komen rijden, zag hoe ze druk in de weer waren met de boten, en het kostte haar al haar zelfbeheersing om niet op te staan en naar de overkant van het water te vluchten. Maar daar kon ze niet heen, zoals altijd moest ze de mensen vanaf een afstand bekijken. Een afstand die ze nooit en te nimmer mocht overbruggen.

Zou het anders zijn geweest als ze niet als leprechaun, maar als elf of kabouter was geboren? Zou ze dan wel naar de mensenwereld hebben kunnen gaan? Soms kon Siobhán het niet helpen te denken dat het leven beter was geweest als één van die kleine wezens, dat ze dan een vrijer leven had gehad. Maar ze wist tegelijk wel beter, wist heus wel dat geen enkel magisch wezen vrijwillig contact zocht met de mensen. Dat dat contact iets was uit de geschiedenisboeken van zowel de mensen, als van de mythische gedaantes die zich nu in sprookjesboeken bevonden. Chagrijnig schopte ze tegen de ketel aan, iets waar ze binnen een seconde spijt van had. Het ding was hard en zwaar, bewoog geen centimeter terwijl haar teen wel degelijk meteen protesteerde. Ze kon hier pas weg als die regenboog was verdwenen, samen met het magische goud. Met een zucht ging ze maar weer op de rand zitten. Waarom hadden die stomme elven hun magische vermogens aan die potten aan het einde van de regenboog verbonden? En waarom hadden de leprechauns ooit voorgesteld die potten te bewaken, in ruil voor een paar magere magische trucjes? Verdwijnen en verschijnen waar ze maar wilden en genoeg spreuken voor een paar simpele wensen, was dat het nou echt waard geweest? De jonge vrouw wist dat haar ouders haar een draai om haar oren zouden geven als ze haar zo hoorden denken, maar ze wist ook dat het gemor onder de leprechauns toenam. Ze hoorde haar broers mopperen dat ze wel eens wat anders wilden doen dan op een ketel passen, hoorden haar neven plannen maken waarvan ze wisten dat ze ze nooit zouden kunnen uitvoeren, en had zelf ook genoeg dromen waar ze het wel eens over wilde hebben. Voor zover dat ging tenminste, het aantal leprechaun-vrouwen in de wereld was ongeveer op twee handen te tellen zo zeldzaam waren ze. Haar moeder had zestien kinderen gekregen, waarvan er slechts één een meisje was. Siobhán was echter niet geworden zoals ze altijd hadden gehoopt. Ze was niet het brave meisje dat thuis bleef zitten, niet de brave dochter die het allemaal wel prima vond dat er een partner voor haar werd gezocht en dat ze zou gaan trouwen en zestien kinderen zou krijgen. Ze moest er zelfs niet aan denken! Zestien kinderen… Ze had het altijd vreselijk gevonden in huis, waar haar vijftien broers haar het leven graag zuur maakte tot ze hadden ontdekt dat zij een stuk harder sloeg dan de jongens. Toen ze zich had aangemeld voor het draaien van diensten, voor de lessen in magie, voor alles, was iedereen in de eerste instantie trots geweest. Tot ze door hadden gekregen dat ze het voornamelijk deed om tijd in de mensenwereld door te kunnen brengen. Siobhán had toen nog niet doorgehad hoe saai dit werk was.

Aan de overkant van het water stond iemand. Even was de leprechaun aan het twijfelen of het een man of een vrouw was, tot de persoon diens capuchon van het hoofd trok. Die lange blonde lokken moesten wel van een vrouw zijn, ook al was de rest van de mens niet gekleed op een manier die Siobhán erg duidelijk vond. Een lange, knalrode regenjas, stevige schoenen, een spijkerbroek die onder de verfvlekken zat, handen diep in de zakken. Zou de mens haar zien zitten? Ergens hoopte de leprechaun het, maar ze wist wel beter. Ze zat verstopt in hoog gras, en hoewel haar ogen zo scherp waren als die van een havik waren de ogen van de gemiddelde mens van een stuk slechtere kwaliteit. Maar toch… even leek het erop dat de mens iets dacht te zien. De vrouw waar Siobhán naar keek hield haar hoofd schuin, kneep met haar ogen, probeerde de afstand mentaal te overbruggen. Ze moest de regenboog zien, en ze zag het einde daarvan. Zou ze geloven in het verhaal dat er een pot met goud was? Zou ze hierheen komen? Siobhán klom van de ketel af, kroop voorzichtig tussen het riet door richting de waterrand. Haar donkergroene hoed was het gevaarlijkst nu, het kon de meeste aandacht trekken, maar dat hield haar niet tegen. Zou deze vrouw haar zien? Haar komen zoeken? Zou ze dan eindelijk voor het eerst contact hebben met een mens? Het idee maakte de leprechaun ergens een beetje nerveus, hoewel het tegelijk iets was dat ze ontzettend graag wilde. Ze had zoveel vragen over de mensenwereld!
Opnieuw hield de mens haar hoofd schuin, keek toen weg, volgde met haar blik de autoweg. Ja hoor! Ze was op zoek naar een manier om het water over te komen, om de afstand te overbruggen en op avontuur uit te gaan. Siobhán grijnsde, ze wist wel dat ze gelijk had. Hoewel ze eraan twijfelde dat mensen echt nog geloofden in het verhaal van de pot met goud aan het einde van de regenboog, herkende ze de zucht naar avontuur als ze hem op iemands gezicht zag. En bij deze mens zag ze dat verlangen maar al te goed. Plotseling keek de mens verstoord op, haar hoofd schoot de andere kant op. “Nee,” fluisterde Siobhán. “Nee, niet doen. Kom op nou.” Iemand riep iets naar de blonde mens die zo eerder nog zo gefascineerd naar de overkant had staan kijken, ze draaide zich een kwartslag om. Nog eenmaal keek ze naar de overkant, naar de oever vol met riet en hoog gras, een oever waar maar een enkele boom stond die zijn bladeren al volledig kwijt was. Toen keek ze weer weg, zette een pas in en stapte in een grote, oranje, metalen bak. De bak kwam ronkend tot leven, en bewoog richting de weg. Het ding was zo fel dat Siobhán het moeiteloos kon volgen, op de weg die een tiental meters in de hoogte langs de oever liep, weg van de regenboog. “Damnú air,” vloekte Siobhán, luid. Bijna! Ze was nog nooit zo dichtbij een ontmoeting met een mens geweest, en toch ontglipte deze kans haar opnieuw. Het was frustrerend. Het gebeurde maar zelden dat volwassen mensen geïntrigeerd, geprikkeld genoeg werden door sprookjes om op avontuur uit te gaan en deze mens had echt op het punt gestaan juist dat te doen. En toch had rationaliteit het gewonnen, rationaliteit die nergens op sloeg want er was wel degelijk iets te vinden aan het einde van die stomme regenboog. Siobhán was er zelfs van overtuigd geweest dat ze haar die hele pot met goud had meegegeven als ze dat had gewild, misschien had ze zelfs de drie wensen wel gewoon toegezegd, in ruil voor dat de mens haar vragen had beantwoord. Met een zucht klom de leprechaun weer op de ketel en schoof haar hoed, die door de spanning was scheefgezakt, recht. Het hoorde bij het uniform, maar het ding liet haar met haar lange rode haar eerder op een soort mislukte kerstelf lijken dan op een bewaker van een magisch object. Hoe lang zou die stomme regenboog nog zichtbaar zijn?

Ze moest een beetje zijn weggesukkeld. Voor een mens was een regenboog misschien maar een paar minuten zichtbaar, voor een leprechaun voelde die tijd veel langer. Als uren soms. Waar was ze van wakker geworden? Opnieuw hoorde ze iets. Geschuifel, alsof er iemand aan kwam lopen. Siobhán’s hoofd schoot overeind, half uit haar gedachten gerukt. Hoorde ze daar iets ritselen? Sterker nog… Zag ze daar beweging? Geruisloos gleed Siobhán van de rand van de ketel af, sloop erom heen om zich te verschuilen. Verstoppen tot je exact weet wat er gaande is, dat was de meest gekozen tactiek, en hoewel ze bekend stond om dingen nog wel eens anders te willen doen ging ze hier niet over in discussie. Er was een kant van haar die maar wat graag naar de mensenwereld wilde, maar tegelijk was ze doodsbang om ontdekt en gevangen te worden. Nog nooit had ze haar magische vermogens echt getest en ze wist niet of ze in staat zou zijn wensen te laten uitkomen. Het was niet iets dat ze wilde gaan uittesten. Het hoge gras voor haar bleef bewegen, er bewoog nu duidelijk iets doorheen en het was geen eend of muis of een ander wezen uit deze wereld dat ze kende. Siobhán slikte, ineens toch bang en onzeker. Wat zou ze moeten doen als ze hier werd gezien? Kon ze om hulp roepen? Nee, dat zou totaal nutteloos zijn. Ze kon natuurlijk verdwijnen, haar eigen hachje redden, maar daar zou ze nooit het einde van horen thuis. Ook al geen beste optie.
Terwijl haar gedachten bleven malen kwam de gedaante dichter en dichterbij. Siobhán zag het niet eens, zo diep weggedoken zat ze achter de grote zwarte ketel, angstig bevend. Van de vrouw met de grote mond van eerder was nu weinig over, dacht zelfs zij met een wrang lachje om haar lippen.
Plotseling dook een donkere gedaante voor haar neus op, zo plotseling en dichtbij dat de vrouw zich een hoedje schrok. Letterlijk, haar donkergroene hoed viel van haar hoofd toen ze de lucht insprong van schrik, rolde over de modderige grond naar de gedaante. Een hele harige gedaante, die haar met een vrolijke blik op zijn kop aankeek, tong uit te bek, natte neus snuffelend aan het vreemde wezen voor hem. Een hond… Met een zucht zakte Siobhán weer op de grond, liet haar hand over de kop van het beest gaan om het stil te houden. Het was maar een hond, dacht ze met een diepe zucht. Ze had moeten weten dat er vroeg of laat een hond zou opduiken, de dieren leken aangetrokken te worden tot magische wezens. Vaak genoeg kwamen de poten van een gravende hond tot op centimeters van elfenholen onder boomwortels, en meer dan eens vergat een hond de stok waar hij achteraan aan het zwemmen was omdat het de nabijheid van meermensen voelde. Honden hadden dat zesde zintuig nog, de antenne voor de magische prikkels die mensen kwijtgeraakt leken te zijn. Siobhán zuchtte diep en keek het beest aan. Het had een prachtige donkerbruine kleur, pluizige vacht, en vriendelijke grote ogen. “He cara,” zei ze met een grijns. Het dier kwispelde vrolijk bij het horen van het Gaelic, de taal van vele mythische wezens waarvan hij het bestaan waarschijnlijk wel kende. Siobhán keek om zich heen. “Waar is je baas?” En kwam hij achter het dier aan? Maar voor zover ze over het gras heen kon kijken zag ze niets, alleen water en het pad waar het dier zich door de vegetatie heen had geworsteld. Het zag ernaar uit dat het op eigen houtje had besloten over te steken, waarschijnlijk omdat hij haar en de pot goud had geroken. Wat haar nu pas opviel was dat die regenboog aan het vervagen was. Ze glimlachte naar het dier. “Tenzij je met me mee wilt zal je toch weer terug moeten,” zei ze, het dier leek haar niet te begrijpen. Of het deed alsof het haar niet verstond. Ze zuchtte. “Téigh abhaile!” Haar woorden waren doordrenkt van oude magie, de enige manier om te zorgen dat elk dier begreep wat je bedoelde. De hond blafte vrolijk, draaide zich om en verdween weer net zo snel als hij verschenen was. Niet lang daarna hoorde ze een plons, het dier was bezig aan de zwemtocht terug zo leek het. Siobhán keek op, de regenboog was bijna verdwenen, haar dienst zat er weer op. Ze verzamelde de magie in haar hand, klaar om te verdwijnen op het moment dat de pot echt niet meer zichtbaar was.

Met een simpele vingerknip strooide ze het gouden stof over zich heen en was ze verdwenen. Geen mens had geweten dat ze hier was geweest, zoals gewoonlijk.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

error: Content is protected!!