Dwalen met draken

Het geratel van koffertjes klinkt om me heen. Het geroezemoes van stemmen vult de ruimte. De bewegende mensenmassa maakt ademen haast onprettig. Met elke teug lucht vullen mijn longen zich met zuurstof, en mijn reuk zich met de geur van verhitte mensen. Opgewarmd door de temperatuur, gekookt door de onrust, gaar van het ongeduld. De massa is beklemmend, het station lijkt op een mierenhoop. Honderden, misschien wel duizenden bezige wezens in een rap tempo op weg naar hun bestemming. Daas kijk ik om me heen, me plotseling beseffend dat kort geleden ik ook tot deze krioelende massa behoorde. De mensen die precies weten hoe laat hun trein gaat en op welk perron ze moeten zijn. Het is haast een schok om te beseffen dat ik dat niet meer weet. Dat ik de tijden van de trein die ik vier jaar lang, vijf dagen in de week nam niet meer weet.
Ik kijk naar de grote machine die in hoog tempo binnenrijdt. Het is een vervoersmiddel, meer niet. Het zorgt dat ik thuis kom, en dat is het wel zo’n beetje. Ergens vind ik het echter jammer dat ik er niet meer tijd op kan besteden, een beetje suf uit het raam kijkend terwijl het landschap voorbij trekt. Het is iets dat ik heerlijk vind en het kost me dan ook weinig moeite om mijn gedachten af te laten dwalen naar mijn laatste vakantie. Een auto kostte veel te veel geld voor mijn budget, dus het werd de trein.

Het stationnetje is piepklein, iets dat ik zelfs met mijn halfdichte ogen kan registreren. En dat zegt wat want die ogen willen echt nauwelijks open. Het idee van ruim zeven uur in de trein zitten klinkt nog niet zo slecht, zeven uur slaap klinkt als een verademing na de korte nacht. Ik duik verder weg in mijn jas, het weer is een stuk frisser in de vroege ochtend dan ik gewend ben van de afgelopen dagen reizen door de Schotse Hooglanden. Het lopen hield me warm, maar nu sta ik stil. Waar ik de afgelopen dagen vooral veel monumenten uit hele verschillende momenten in de menselijke geschiedenis om me heen heb gehad, word ik nu omringd door het moderne gebouw van een piepklein tussenstation van Scotrail. De signalen over het bestaan van de trein die naar dit extreem noordelijke punt van het Schotse vasteland afreist waren niet bemoedigend. Als er te weinig passagiers zijn besluit de vervoerder soms nog wel eens om simpelweg geen trein te sturen. In plaats daarvan is het veel goedkoper om een taxi te laten komen, maar deze zal pas verschijnen na een boos telefoontje en enkele uren wachten. Het dichtstbijzijnde Scotrail-kantoor dat de macht heeft een taxi te sturen zit immers in Inverness, ruim 175 kilometer zuidelijker.

Het is uitgestorven, we zijn vroeg. Met een brom worstel ik een broodje uit mijn tas, maar mijn maag geeft een duidelijk signaal: “Waag het niet, ik ben nog niet wakker.” Het broodje verdwijnt weer. Met mijn handen weer diep in mijn zakken kijk ik om me heen als ik het eerste rumoer ontwaar. Een zwaar accent, passend bij de twee zware mensen die zich naar het perron begeven. Brommerige blikken, chagrijnig gemompel over het ontbreken van een bord met treintijden, het kantoor van Scotrail is nog dicht zo vroeg op de maandagochtend. Met een demonstratief gebaar wordt een tas, die bij het postuur van de twee reizigers past, neergezet. Ik kijk naar de klok, de trein is hier pas over een half uur. Ik stamp met mijn voeten, ontwijk de blikken van de twee gearriveerde mede-treinreizigers, niet bereid om degene te zijn naar wie ze hun chagrijnige vragen gaan gooien. Mijn reisgenoot is al net zo stil, mogelijk door de slaap, mogelijk door het vooruitzicht aan een lange treinreis, de band begint te wankelen naarmate de seconden wegtikken. Een band die enkel was gebouwd op een gedeeld reisdoel, maar die in de afgelopen dagen permanente barsten is gaan vertonen. Reisdoelen die toch niet bij elkaar pasten, levensstijlen die toch niet verenigbaar lijken te zijn, en dan was er nog mijn aandringen om vanochtend op tijd te zijn. Een aandringen dat ervoor heeft gezorgd dat we een half uur staan te wachten. Een aandringen dat voornamelijk gebaseerd is op haar aansluiting in Inverness, niet op mijn liefde voor vroeg opstaan. Het perron begint steeds meer geluid te produceren, mijn zenuwen over een niet-verschijnende-trein nemen met elke arriverende passagier meer af. Gepiep klinkt in de verte. Metaal vol op de remmen, het universele geluid van naderende treinen. Ik kijk op, knijp met mijn ogen tegen het felle licht van de zon. Het treintje dat nadert is piepklein, lijkt nog het meest op een gemoderniseerde versie van de metro’s thuis. Een korte blik naar de grote koffers, en de enorme mensen om me heen helpt me na een zeer snelle rekensom te concluderen dat het krap gaat worden, en dan ga ik er van uit dat de trein leeg is.

Het speelgoedtreintje staat nog geen halve minuut stil, de deuren zijn nog geen halve seconde open of onze medepassagiers storten zich op het arme ding. Het forse echtpaar weet zich als eerste naar binnen te wurmen, met een machtsvertoon dat haast beangstigend is. Iets alerter, maar enkel om te voorkomen dat ik zo’n elleboog tegen mijn neus krijg, stap ik in. Ik krijg nerveuze blikken toegeworpen, blikken die ik niet begrijp tot ik zacht gemompel hoor terwijl mensen naar kaartjes kijken. Ik kijk naar de deur, gekenmerkt door een duidelijke 1. Aah, eersteklas. En iemand die met een rugzak reist kan toch niet in eersteklas horen? Kan toch niet bij hen komen zitten? Ik werp een blik de coupé in, langs het echtpaar en totaal immuun voor hun onuitgesproken passief agressieve gedrag. Ik ben te moe om me met hun ego’s bezig te houden. Mijn reisgenoot tikt me echter op de schouder en wijst naar de andere coupé. Volgens onze kaartjes zijn onze plaatsen daar. Het maakt me ook niet uit, de andere wagon ziet er al net zo vol uit als die waar zij naar wijst, de rekken met koffers hebben geen centimeter ruimte meer voor onze tassen. Ik pak de klink en geef er een ruk aan. De deur glijdt geruisloos open…

Het lawaai dat mijn oren tegemoet komt is oorverdovend, blaast me nog net niet omver. Het kost me even om mijn fysieke en mentale evenwicht terug te vinden. De wagon lijkt ontploft te zijn. Opgeblazen bij de eerste bocht van de dag. Half vol met mensen, maar tegelijkertijd tot de nok toe gevuld met geluid en beweging. Een schoolklas… Om zeven uur ’s ochtends… Ik hoef geen genie te zijn om te beseffen dat de nerveuze blikken van de duwers niet alleen naar onze rugzakken werden geworpen, want ik hoef geen hoog IQ te hebben om te beseffen dat stoelnummers een pure illusie geworden zijn. Sterker nog, na drie stappen in de wagon besluit ik dat stoelnummers het laatste zijn wat mij nog interesseert. Zonder op de blikken van de leerlingen, jongens en meisjes van 12 jaar oud schat ik, te letten baan ik me vrij bot een weg door het gangpad. Het enige geluid dat ik produceer is af en toe het schrapen van mijn keel terwijl ik een wenkbrauw optrek. Ze mogen nog zo’n grote mond hebben, en ik mag dan nog zo klein van postuur zijn, het is genoeg om ze voor mijn voeten vandaan te krijgen. Ik heb een paar vrije plekken gespot met nog ruimte in het bagagerek, en hoewel ze niet corresponderen met de nummers op onze tickets claim ik ze door mijn tas er neer te zetten. Mijn medereiziger sputtert nog kort tegen met haar eigen ticket in haar hand, een scenario dat me doet denken aan ons laatste meningsverschil in het hostel. Ik moet me inhouden niet met mijn ogen te rollen maar maak mijn intentie om deze plaatsen te claimen duidelijk door het tasje met eten en snacks neer te zetten, mijn journal en boek uit mijn tas te graven, en daarna met een korte krachtinspanning mijn tas in het rek boven ons te wurmen. Boodschap begrepen, niet veel later zitten we tegenover elkaar, op hetzelfde moment dat de trein met een schok tot leven komt. Op hetzelfde moment dat de leerlingen in de wagon onze ietwat botte binnenkomst, onze kleine invasie, te boven zijn gekomen en zich weer op zichzelf richten. Het lawaai barst weer los, dringt via mijn oren zo penetrant mijn brein binnen dat ik nauwelijks meer kan nadenken. Dit is niet de relaxte treinreis die ik in gedachten had, slapen gaat er op deze manier zeker niet van komen. De trein staat nog net niet te dansen op de vering, de leiding doet geen enkele poging de kinderen ook maar een klein beetje in toom te houden. Het zou ook onbegonnen werk zijn. Ik kijk mijn reisgenoot verontschuldigend aan en graaf mijn telefoon en oortjes tevoorschijn, deze herrie trek ik niet voor vier uur. Tegen de eerste stop verdraagt mijn maag een broodje, en vullen mijn oren zich niet langer met gegil maar met muziek. Slaperig kijk ik naar buiten, waar we weinig meer zien dan bermen met daarop hier en daar een huis. Verscholen achter die hoge wallen, donkerbruin en grijs door de dauw en mist in de lucht, liggen volgens de kaart nog enkele plaatsjes. Afgelegen en afhankelijk van het kleine treintje waar we in zitten. Bij elke stop stappen er meer schoolkinderen in, ieder in een andere kleur uniform, ieder met een hele nieuwe kakofonie aan geluid en drukte. In mijn hoofd kan ik de grote passagiers uit de eerste klas al horen klagen en kan niet helpen er zacht om te moeten grinniken. De tussenstops beginnen af te nemen, de trein begint de greppels uit te rijden en een landschap zo rauw en onbewoond dat het mijn adem beneemt spreidt zich tentoon achter de ramen De grijze lucht voorspelt regen, voorspelt weer dat de uitgestrekte velden zal teisteren. In de wijde omgeving is er niets te bekennen, geen mens, geen schaap, geen dier dat zo noordelijk komt om te grazen op de velden bekleed met lang vergeeld gras, bekleed met grijs en blauw mos. Mijn camera weet de schoonheid niet te vangen, terwijl ik ademloos naar buiten kijk. Mijn mond hangt iets open, de rauwdouwers om me heen zijn volledig verdwenen, het enige wat ik nog zie zijn de bergen met hun rauwe schoonheid. Dit uitgestorven land is het land van mythes, van verhalen over woeste krijgers beschilderd met blauwe patronen, verhalen over draken en reuzen die de kusten onveilig maken voor reizigers. Mijn fantasie slaat volledig op hol, ik heb me nog nooit zo wakker gevoeld als in dit kleine speelgoedtreintje in de Schotse Hooglanden. In de verte reflecteren kleine meren de grijze hemel die ze veranderd in bodemloze grijze poelen van gesmolten zilver. Een klein huisje kleurt wit af tegen de donkere bergen, eenzaam wakend over het landschap. Een klein perronnetje vraagt aandacht, er stapt niemand in of uit, maar je verwacht er iemand te zien staan. Een eenzame reiziger weggedoken in zijn jas, hoed over de oren getrokken, leunend op een stok met een koffer aan de voeten. Een grijs figuur, identiteitsloos in zijn geheel en daardoor schimmig genoeg om op te duiken in spookverhalen. Een student tot op het bot doorweekt met een rugzak op de rug, maar met een grote grijns en de wilde haren die zonder woorden vertellen over een fantastische trektocht.
De hemel breekt open, zonnestralen geven nieuw leven aan de levenloze stations. Witte gebouwen met rode luiken, bestemmingen uit kinderboeken tonen zich aan de reiziger. We zijn al een uur onderweg, de trein staat nog steeds te dansen op zijn wielen door de luidruchtige passagiers. Mijn boek is onaangeraakt terwijl ik maar gefascineerd naar buiten blijf kijken. Hoewel ik vreselijk achterloop met schrijven kan ik mezelf niet overhalen om mijn ogen los te trekken van het landschap om me heen. De leegte is nog altijd eindeloos, de horizon gaat schuil achter bergen die me doen denken aan de schubben op de rug van een slapende draak. Ooit las ik in een boek dat er in Engeland twee draken lagen te slapen, te wachten op een tijd waarin ze weer wakker zouden worden om Engeland en Schotland te beschermen van vijandige machten. Hoe hard ik ook nadenk, ik kan me de titel van het boek niet herinneren en dat kan me ook niet schelen. Tijdens deze reis ligt die draak daar echt, verscholen onder het mos van de Schotse Hooglanden, wachtend tot de tijd daar is.

Het heerlijke aan een treinreis als deze is dat hij zorgt voor ongelimiteerde inspiratie. De woorden stromen uit mijn pen terwijl mijn hand mijn gedachtes nauwelijks kan bijhouden. Ik zal mogelijk bij het nalezen vaak genoeg op halve zinnen stuiten omdat het niet meer te doen was. Terwijl we verder en verder rollen kijken we af en toe uit over de zee, als de spoorlijn naast de enige snelweg naar het noorden loopt. De kliffen zijn niet hoog, de huizen hier iets talrijker. De heuvels vertonen groen gras en gele bloemen die nog feller lijken in het zonlicht. De industrie en het leven zo hoog in het noorden bevindt zich voornamelijk rond de kust, als het er al is. De kleine plaatsjes zuidelijker zijn minder grauw, minder geteisterd door de afgelegenheid en weer en wind. Stationnetjes zijn schattiger dan de betonnen hal waar we uren eerder zijn opgestapt. Mijn boek weet de snelweg te verkorten, de huizen en auto’s die langs schieten interesseren me niet, maar vermenigvuldigen wel naarmate we Inverness naderen. Een grauwe, levendige maar tegelijk uitgestorven stad waar een overstap van enkele uren op ons wacht. De poort naar de Hooglanden zal voor ons de poort naar de Laaglanden zijn, de overstap naar het levendige en winderige Edinburgh. Ik probeer mijn rug te strekken in de stoel, moe van de lange rit, moe van alle geweldige indrukken die het Schotse landschap op me heeft achtergelaten. Maar tegelijk vooral erg verlangend naar een kop koffie, iets waar ik me toch lichtelijk zorgen over maak. Om onbekende redenen is het me nog niet gelukt om een fatsoenlijke koffie te vinden in Schotse cafés, en juist dat is waar ik zo enorm naar verlang terwijl we het station van Inverness inrijden. Einde van de halte voor ons speelgoedtreintje, tussenstop voor ons. Met enige pijn in mijn hart stap ik uit, wetende dat dit het afscheid is van die wilde Hooglanden waar ik zo dol op ben, en zonder een woord te zeggen maar met mijn ogen op de inmiddels blauwe hemel gericht beloof ik dat ik terug zal komen. Met de trein.

 

 

 

More and different short stories, can be found through here.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

error: Content is protected!!