De schoonmaak

Ze hadden hem gedwongen hiertoe, net zo lang gezeurd tot hij toe had gezegd op te ruimen. Met een zucht keek Jack rond. Zijn huis was nooit schoon geweest, tenminste niet meer sinds zijn vrouw tien jaar geleden was overleden. Het interesseerde hem simpelweg niet, bovendien was zijn definitie van “schoon” anders dan die van zijn dochters. Die wilden alles spic en span hadden, alles moest een plekje hebben en ten alle tijden daar staan. Jack was in hun ogen een sloddervos, een rommelkont zoals zijn kleindochter hem giechelend noemde. Hij vond dat grappig. Alicia was nu zes jaar oud en ze vond alle woorden met “kont” grappig, iets dat hij goed kon begrijpen en dat haar moeder chagrijnig deed fronsen. Maar ja, hij kon het niet helemaal ontkennen, hij was inderdaad een rommelkont. Zijn woonkamer en kantoor puilden uit van het verzamelde papierwerk, de volle dozen met oude politiedossiers. Jarenlang had hij kopieën gemaakt, die meegenomen naar huis, en na zijn pensioen had hij dat niet los kunnen laten. Nog altijd volgde hij sommige zaken op de voet, knipte hij krantenstukken uit en mailde hij zelfs zo nu en dan met de jonge rechercheurs die op de zaak zaten om zijn kennis met hen te delen. Sommige waren ervan gediend, en velen niet. Jack was het niet ongewoon dat hij chagrijnige mails terugkreeg waarin hem vriendelijk, of onvriendelijk, werd verzocht zich niet met het werk te bemoeien. Er was één jonge man die hem graag eraan herinnerde dat hij al dertig jaar met pensioen was, en dat zijn kennis achterhaalt en nutteloos was. Jack had het vermoeden dat hij dat schreef om zichzelf beter te voelen, want de oude man zat er niet mee. Goed, de techniek was met sprongen vooruit gegaan, maar de essentie van het politiewerk zou nooit veranderen. Uiteindelijk ging het toch om mensenkennis, gezond verstand, en de schurken een stap voor weten te zijn. Hij besteedde graag zijn tijd in kroegen waarvan hij wist dat hij er oude collega’s tegen zou komen, zodat ze de oude tijden weer naar boven konden brengen boven een stevige borrel, net zoals vroeger. Maar hij zag ook wel dat er steeds minder mensen aan de tafels zaten, dat steeds meer van zijn collega’s wegbleven. Vaker en vaker zag hij overlijdensberichten met bekende namen in de kranten verschijnen, iets dat hem elke keer vervulde met verdriet. Ondanks de moderne technieken die het politiewerk zo hadden veranderd was het nog steeds niet normaal om, zoals hijzelf, ouder dan 90 te worden. En nu bleven zijn dochters maar aandringen op dat hij zijn huis zou opruimen, alles in zou pakken, en naar een verzorgingstehuis zou gaan. “Sinds mama er niet meer is zit je daar maar, pa,” zeiden ze dan. “Het huis wordt er niet beter op, en jij ook niet.” Ze wisten niet eens dat hij sommige dagen helemaal niet thuis was, dat hij dan de hele dag in de kroeg op de hoek zat. Ze kenden hem daar goed, de meisjes achter de bar wisten wat hij wilde drinken en eten en ze zorgden altijd goed voor hem, zorgden dat hij nooit teveel dronk zodat hij zelf nog naar huis kon lopen zonder om te vallen. Maar toch, Jack moest zijn dochters gelijk geven dat het huis er niet beter op werd. Hij kon het niet meer onderhouden, en hij hield niet genoeg van vreemden om iemand in te huren voor het werk.

Met een zucht ging de oude man op de stoel aan zijn bureau zitten. Hij zou eerst eens opruimen, en daarna zouden ze bekijken of hij hier zou kunnen blijven na wat serieuze renovatiewerkzaamheden. Zijn schoonzonen hadden nu al medelijden met de mensen die bij de oude man zouden gaan werken, zelf drukten ze hun snor. Ze hadden hun schoonvader nooit de baas gekund, en hadden helemaal geen zin in bij hem langskomen voor het achterstallig onderhoud.
Weemoedig keek Jack naar de stapel papieren op zijn bureau. Het waren allemaal oude dossiers, enkele zouden naar archieven kunnen die ze mogelijk interessant zouden vinden, maar nog veel meer zou integraal bij het oud papier worden gegooid en het ging hem aan het hart. Hij had zijn leven aan zijn werk besteed, zijn beste jaren aan het korps geschonken, en het enige wat er van over was was de enorme stapel vergeelde papieren. Sommige waren half weg geknaagd door muizen, of vergaan door de grootschalige lekkage van twee jaar daarvoor. Vocht had de dozen sowieso geen goed gedaan, iets dat Jack pas had beseft toen hij ze had opgetild. Hij trok de eerste nieuwe doos naar zich toe, samen met de eerste stapel papier. Zijn eerste jaar bij de politie, toen hij nog parkeerbonnen had uitgeschreven, en tegelijk gestolen auto’s traceerde. Het kon zonder veel omkijken weg, in de doos om straks door iemand anders naar de stort te worden gebracht. Het enige wat dit papier nog zou doen was het aan de gang houden van verbrandingsovens, dacht de oude man met een zurige nasmaak in zijn mond.
Een volgende stapel volgde, transcripten van verhoren uit zijn eerste jaar als rechercheur. Melancholie begon toe te slaan terwijl hij erdoor heen bladerde. Één document stopte hij in de map met het woordje “bewaren” erop, de rest verdween in de doos. Droevig keek hij naar de doos. Zijn gehele leven, al zijn harde werk, zou in zo’n meedogenloos ding eindigen. Aan de andere kant zou het prettig zijn zijn bureau eindelijk weer eens te kunnen zien, in plaats van dat het bedekt was met alle soorten papier denkbaar. Met een zwaai van zijn arm eindigde een hele stapel snoeppapiertjes en zakdoeken in een vuilniszak, die later nog aangevuld werd met oude kranten die hij enkel had bewaard vanwege half afgemaakte kruiswoordpuzzels. Een korte tijd had Jack gehoopt dat die zijn aandacht van het onderzoek naar misdaad af zouden houden, tot hij zich herinnerde dat hij een hekel had aan kruiswoordpuzzels. Zijn vrouw had hem hartelijk uitgelachen toen hij tot dat besef was gekomen, hem eraan herinnerd dat hij haar op hun eerste afspraakje al had verteld dat hij een hekel aan de puzzels in de krant had.

Het kostte Jack de halve dag om door de lagen aan papierwerk heen te komen. Hij had zijn oudste dochter moeten bellen dat ze maar beter morgen al langs kon komen om de dozen op te halen, en om nieuwe te komen brengen. Aan de ene kant ging dit sneller dan verwacht, en aan de andere kant schoot het niet op. Waarom moest hij zo nodig opruimen van hen? Waarom konden ze hem niet gewoon met rust laten? Hij viel niemand lastig met zijn gewoonte paperassen te bewaren, dingen te willen archiveren, en om zaken op de voet te volgen ook al was hij lang geleden gestopt met het werk. Met een diepe zucht, het was een geluid dat hij maar bleef produceren vandaag, pakte hij de enige twee dozen die hier stonden. De enige dozen die niet in de archiefkast hadden gestaan toen de regenpijp het begaf en de inhoud ervan zijn kantoor in was gestroomd, in plaats van erlangs. De eerste doos hoefde hij niet te openen, hij wist dat die vol met papieren zat die van echt belang waren. Zijn testament, dat van zijn overleden vrouw, hun geboorteaktes, paspoorten, andere paperassen die ooit nog eens nodig zouden kunnen zijn. Hij opende hem om de paar papieren die bewaard moesten worden erbij te stoppen en zette de doos toen naast zijn stoel op de grond. Dan bleef er voor vandaag nog maar eentje over. De rest van de week zouden de boekenkasten, die al net zo uitpuilden als zijn bureau, eraan moeten geloven. En vanuit het kantoor zouden ze dan door gaan naar de woonkamer, de zolder, de kelder, tot elke kamer in het kleine huis was “uitgemest”. Zijn schoonzoons woorden, niet de zijne.
Zodra Jack de doos opende, kon hij het niet helpen een grijns op zijn gezicht te krijgen. Dit waren zijn grootste zaken, degenen die zijn carrière hadden opgebouwd, allemaal netjes afgesloten. Volgens het boekje afgehandeld, dit was zijn handelsmethode. Drie dikke mappen, ieder een ander dossier, en voorzicht legde hij ze met een glimlach op zijn bureau. Toen zijn telefoon ging keek hij dan ook niet op. “Met Jack,” klonk zijn norse stem. Hij hield er niet van om onderbroken te worden in zijn werkzaamheden, ook niet als die opruimen inhielden. “Hé pa, ik bel even om te checken hoe het gaat. Lisa vertelde dat je al door de dozen heen bent?” Zijn jongste dochter klonk opgewekt, en Jack wist niet of hij dat fijn vond. Hij bromde dan ook zacht. “Ja dat klopt.” Zijn dochter liet zich echter niet uit het veld slaan, dat had ze nooit gedaan. “Wil je dat ik langskom met eten?” Haar stem klonk nog steeds zo opgewekt, maar ergens ook nep vond de oude agent. Alsof ze iets aanbood waarvan ze alleen maar hoopte dat hij het af zou slaan. Nou, dan zou hij hen beiden maar meteen een plezier doen. “Niet nodig lieverd,” zei hij. “Lisa heeft kliekjes voor me in de koelkast gezet.” Een gehum klonk door de telefoon. Ze begon een verhaal over de kinderen, dat die opa wilden helpen met opruimen. Jack geloofde het maar half, hij wist dat zijn kleindochter als enige geïnteresseerd zou zijn in de verhalen achter alle spullen. Ze was de enige die een beetje op hem leek in haar fascinatie voor verhalen en haar eeuwige honger naar het vergaren van meer kennis en achtergrondinformatie. Hij hoopte maar dat ze zou gaan studeren later, ze zou een goede wetenschapper zijn. “Hmm… Dat is goed liefje,” mompelde hij plichtsgetrouw terwijl hij door de pagina’s in de dossiermappen bladerde. Alles netjes geordend. Gegevens van getuigen, transcripten van verhoren, politierapporten, alles bewaard voor het geval hij ooit nog verantwoording had moeten afleggen, iets dat nooit gebeurd was. Plotseling verstarde de oude man, zijn hand verstijfd in een klauw-achtige houding, zijn ogen groot van schrik. Op zijn bureau lag een dunne, donkergroene map. Waar de andere drie van stevig papier waren geweest, was deze van doorzichtig plastic, met een drukknop in plaats van een elastiekje. In tegenstelling tot de andere drie zat er geen sticker op met de naam en duur van de zaak die hij had onderzocht, en tegelijk wist Jack van deze map het allerbeste wat erin zat. Een jacht, een veroordeling, een vloek, een blamage op zijn naam en werk. “Lieverd,” onderbrak hij zijn dochter midden in haar zin. “Ik moet ophangen. Ik zie je volgende week.” Hij wachtte niet tot ze iets zou zeggen, hij deed wat hij had gezegd: hij hing op, legde de telefoon weg. Met bevende handen nam hij het dunne mapje in zijn handen, opende bijna ceremonieel langzaam de sluiting en schoof de papieren erin op tafel. Het was niet veel; een paar transcripten van nog geen pagina lang, en politierapport van twee blaadjes, een paar foto’s van een plaats delict, en één foto van de hoofdverdachte. Een hele vage foto, een frame van een bewakingscamera van slechte kwaliteit, en toch zou Jack het gezicht op de foto nog met zijn ogen dicht herkennen. Plotseling voelde Jack zich nog zeker dertig jaar ouder dan hij al was met zijn 92, vermoeid en verslagen leunde hij achterover in zijn stoel die daarbij al net zo kraakte als de oude man deed. Sean Donnor… Hij had al in geen decennia aan de man gedacht… En toch hoefde Jack zijn ogen maar te sluiten en hij zag het allemaal weer voor zich, alsof het gisteren was.
________

Sean Donnor was de grootste schurk die hij in zijn carrière was tegengekomen, ongenadig en ongrijpbaar als de spoken uit de griezelboeken die Jack als kind had gelezen. Boeken die hij samen met Sean had gelezen, in de gedeelde jeugd waarin de twee vrienden waren geweest. De jaren voordat hun wegen zich hadden gescheiden en hun verdere loopbanen zich langzaam hadden uitgestippeld. Opgegroeid in dezelfde stad, dezelfde straat, gezeten op dezelfde school, en toch zo anders geëindigd. Hij als agent, onderdeel van een grote machine maar niet nog altijd niet doorgebroken naar de hogere rangen, en Sean als hoofd van een groep criminelen die als lichtste vergrijp drugssmokkel op hun geweten hadden. En dat was dan puur omdat dat het enige was dat ze konden bewijzen… Het was het scenario van een vermakelijke maar niet bijster goede politiefilm, dacht Jack terwijl ze een briefing kregen over de zaken met de hoogste prioriteit. Hij zat onderuitgezakt in zijn stoel, met een notitieblok in zijn hand waarin hij meer aan het krabbelen was dan dat hij iets nuttigs opschreef. De commissaris had al duidelijk gemaakt hem niet op de zaak te willen hebben, dat het risico te groot was. Jack wist dat dat in werkelijkheid gewoon betekende dat hij niet werd vertrouwd, dat de grote bazen bang waren dat hij vriendjes was met de schurk en hem zou laten lopen. Ergens was hij daardoor beledigd. Had hij immers niet zijn werk voor alles gesteld gedurende zijn hele carrière? Relaties waren erdoor stukgelopen, vrienden was hij kwijtgeraakt, en nog was er altijd dat wantrouwen van de commandant naar de gewone rechercheur.
“Het enige wat we weten is dat Donnor graag hier luncht.” De commissaris wees naar de foto van een kleine lunchroom. Jack fronste zijn wenkbrauwen. Hij kende de plek. Donnor zou daar vaak eten? Dan had de man zijn vaste patroon aangepast. De tent was Spaans, en voor zover Jack wist had de man nooit iets anders willen eten dan simpel aardappels-vlees-groenten. Langzaam stak hij zijn hand op. “Ja Van Camps?” De commissaris keek hem haast geïrriteerd aan. Jack schraapte zijn keel. “Het spijt me meneer, maar als hij daar eet dan moet dat met zaken te maken hebben.” Zijn stem was rustig, hij leek niet onder de indruk van de boze blik die hem toegeworpen werd. En die blik werd niet minder door zijn opmerking. “En waarom denk je dat?” Jack legde zijn notitieblok op tafel en streek zijn overhemd recht. “Ik heb Donnor al tientallen jaren niet gesproken, maar als kind at hij nooit iets dat niet thuis klaar was gemaakt. Als hij naar een Spaans restaurant gaat, dan is dat puur voor zaken want hij zal er geen hap nemen.” De commissaris zuchtte. “Dus jij kent de verdachte goed, Van Camps?” De man keek hem peilend aan, Jack trok een gezicht. “We waren vrienden op school meneer. Ik heb hem al jaren niet meer gezien of gesproken.” “Dat maakt me niet uit Jack, ik wil alles weten over hem dat je je kunt herinneren. Van hoe hij zijn koffie drinkt tot waar hij naar de sportschool gaat. Alles om deze asshole in een cel te krijgen. Begrepen?” “Ja meneer.”

Alsof Sean Donnor zo makkelijk in een cel te krijgen was. Jack wist ook wel dat de informatie die hij had nauwelijks van waarde zou zijn. Het enige dat hij had kunnen vertellen was dat als Sean in dat restaurant zat, het zou zijn voor zaken, en dat betekende dat ze een under cover actie moesten opzetten.
“Doet u mij maar een portie calamari en pulpo a la gallega,” bestelde Jack bij de serveerster. Zijn collega keek hem met lichte walging aan. “Man, dat is allemaal octopus. Hoe kun je dat nou eten?” Jack van Camps haalde zijn schouders op en opende zijn krant. “Dat jij nou alleen maar sandwiches en aardappels eet, wil niet zeggen dat we allemaal cultuurbarbaren zijn.” Nu moest de man wel toegeven dat hij dit alleen maar at omdat zijn vrouw dol was op mediterraan eten en het thuis meer dan eens voor zijn neus had gezet. Ze zaten niet ver bij een groepje vandaan, een groepje dat zichzelf had gevormd rond Sean Donnor en een breedgebouwde gozer die schichtig om zich heen bleef kijken. Ze fluisterden, waardoor steeds net niet verstaanbaar was wat er nou werd gezegd. Jack zat verscholen achter de krant zodat zijn oude schoolvriend hem niet zou herkennen, maar probeerde af en toe een glimp op te vangen van wat hij zag. Daardoor was hij degene die als eerste het pistool zag, in de zak van de breedgeschouderde man. Jack verstijfde, probeerde met een zachte tik van zijn voet de aandacht van zijn collega te trekken. Dit was geen drugsdeal, dit was een afrekening! Nog voor er iets was gebeurd klonken de knallen door de zaak. Glazen die sneuvelden, gegil van omstanders, geschreeuw van de mannen die hierbij betrokken waren. Jack schoot overeind, trok zijn dienstwapen uit het holster. “Allemaal op de grond!” schreeuwde hij, in een poging de situatie het hoofd te bieden. Maar niemand luisterde. Niemand leek hem zelfs maar op te merken. De enige die hem recht aankeek was Sean, met het rokende wapen. Sean Donnor, op heterdaad betrapt op moord. Jack hoefde niet te vragen of Sean hem nog herkende, dat zag hij op het gezicht van zijn oude vriend. Sean stond een seconde lang aan de grond genageld, voor hij zich omdraaide en uit de voeten maakte. “Stop! Politie!” brulde Jack de man na, maar toen die zich niet liet stoppen door die woorden schoot hij erachteraan. De deur uit, hij hoorde vaag zijn partner iets roepen over wachten op versterking, maar het kon de agent niet schelen. Hij moest Sean Donnor te pakken krijgen! Hij zou het korps eens bewijzen dat oude vriendschappen niets zeiden over het heden en iemands werkethiek. Met zijn pistool in zijn hand sprintte hij achter de man aan, door de straten, langs de mensen, terwijl hij bleef schreeuwen dat Sean halt moest houden. Hij wist wat de man deed. Dat hij probeerde hem kwijt te raken, of op zijn minst ergens heen te krijgen waar er niemand was om hen te zien mocht het op een schietpartij uitdraaien. Sean Donnor wilde nooit getuigen achterlaten, wat ervoor had gezorgd dat er tot nu toe geen enkele aanklacht was blijven hangen. Maar dat hoefde niet perse in Jack’s nadeel te zijn.

Met piepende ademhaling zette hij nog een tandje bij, in een poging zijn vriend in te halen toen die een brandtrap opschoot. Zacht vloekend volgde Jack hem. “Geef het op Sean,” Jack’s ademhaling ging hijgend, piepend zelfs. Sean was altijd beter geweest in hardlopen dan hij, ook op school al. De man keek kwaad naar de agent, zijn ogen spogen vuur. “Vuile verrader,” siste hij. “Je bent één van ons.” Geen seconde kwam het in Jack op om zijn pistool te laten zakken, hij wist als geen ander waar Sean toe in staat was. “Dat we op ooit vrienden waren, wil niet zeggen dat dat je een vrijkaart geeft Sean,” herinnerde hij zijn oude vriend. Jarenlang hadden ze samen op straat gevoetbald, hadden ze samen kattenkwaad en streken uitgehaald. Sean had van hem afgekeken met wiskunde, en hij bij Sean tijdens Engels. Maar dat was zo ontzettend lang geleden, een heel leven was inmiddels voorbij gegaan. Jack had drie kinderen, de oudste was net volwassen geworden, en hij wist dat Sean een kind had bij de vrouw waarvan hij jaren geleden al gescheiden was. Als ze überhaupt zelfs ooit waren getrouwd. Het feit dat hij dat niet wist, of zijn voormalig vriend ooit getrouwd was geweest met de moeder van zijn kind, zei voor Jack genoeg. Sean en hij waren geen vrienden, al heel erg lang niet meer. “Geef het op Sean, het is over.” De schurk, die net als hijzelf inmiddels stroken grijs in zijn haar had zitten, keek de agent aan. Kort ging zijn blik naar de brandtrap achter Jack, een gefrustreerde blik ging naar de agent. Jack kende die blik, het was de blik van een kat in het nauw, vlak voor hij rare sprongen gaat maken. “Niet doen Sean,” zei hij zacht. “Maak je kind niet vaderloos.” Hij zou schieten als Sean streken ging uithalen, daar was hij voor getraind ook al had hij er altijd een hekel aan gehad om die trekker over te halen. Een smalende lach kroop over Sean’s lippen. “Kom op Jack, we weten beiden beter. Je hebt niet op Tony geschoten, en ook niet op Miles. Waarom zou het bij mij anders zijn?” Jack’s mond werd een harde streep. “Niet doen Sean,” herhaalde hij nog een keer, zachter maar tegelijk ook dringender. Zijn vinger verplaatste zich, van onder naar boven op de trekker van zijn dienstpistool, klaar om te schieten indien nodig. Een stap verder, nog één drempel te gaan en zijn wapen zou afgaan. Hij wilde de man niet neerschieten. Sean’s blik drong die van Jack binnen, en een minuut lang keken de mannen elkaar enkel aan. Sean’s harde blauwe ogen boorden zich in Jack’s donkerbruine, terwijl geen van de twee leek te willen wijken voor de ander. De minuut leek in ieder geval een uur te duren, een uur waarin Jack niet doorhad dat Sean zich heel langzaam naar achter aan het bewegen was tot de man op de rand van het gebouw stond. Jack’s ogen werden groot, het wapen ging naar beneden, hij stapte naar voren. “Sean, nee…” Maar het was te laat, het volgende moment zag hij de man naar achteren vallen. Met een doffe klap eindigde het pistool op de grond terwijl Jack naar voren schoot, in een poging de man bij diens jas te grijpen. Het was echter te laat, hij zag Sean vallen, hoorde de klap. Hijgend, van schrik en van het eerdere sprintje, dook de agent naar de rand van het gebouw, klaar om het afschuwelijke resultaat van Sean’s wanhopige actie te zien. Het resultaat dat hij zag, vier verdiepingen lager, was verbijsterend.
Happend naar adem, een raspend geluid voortbrengend, klom Sean uit de afvalbakken. De val was alles behalve comfortabel geweest, dat zag Jack meteen ondanks de afstand tussen hen. Strompelend kroop Sean overeind, en zette zijn weg voort. Even keek de man nog omhoog, een grote grijns naar zijn oude vriend werpend. Kort hief Sean zijn hand op als groet, maar draaide zich toen om en hinkte zo snel mogelijk de straat uit, het donker in. Verbijsterd staarde Jack hem na, zijn hand door zijn doorweekte haar halend. De regen wilde maar niet ophouden vandaag, en voegde eigenlijk alleen maar iets toe aan het enorme cliché dat deze hele situatie was geworden. Een agent die een schurk op de hielen zit, een schurk die op het nippertje weet te ontkomen door een levensgevaarlijke stunt uit te halen en daarvan weg te lopen. Onbedoeld, en totaal tegen zijn gewoonte in, voelde Jack een plotselinge lachbui opborrelen. Het begon diep van binnen, maar al snel genoeg was hij op zijn rug gerold, de regen sloeg hem in het gezicht terwijl hij in een bulderend gelach uitbrak. Sean had het weer geflikt! Hij kwam er gewoon weer mee weg! Net als vroeger, als Jack strafwerk kreeg voor het afkijken en Sean het voor elkaar kreeg de leraar te overtuigen van zijn onschuld.

Het had lang geduurd voordat Jack in staat was geweest om overeind te komen, voordat de slappe lach was opgehouden, en toen hij op het bureau had moeten vertellen dat Sean Donnor was ontkomen was hem dat persoonlijk aangerekend. Ze hadden hem niet op de zaak willen zetten vanwege zijn oude banden met de crimineel, en nu was hij hen ontglipt terwijl ze hem op heterdaad hadden betrapt! Jack wist toen meteen dat zijn carrière nooit meer een stap voorwaarts zou nemen, dat het enige wat hij nog kon doen het voorkomen van een stap achterwaarts was. Vijf jaar later was hij met vervroegd pensioen gegaan, van Sean Donnor had niemand meer iets vernomen.

_________

Met een laatste zucht legde hij het dossier terug in de doos. Het was opvallend dat juist dit één van de enige twee dozen was die niet ten prooi was gevallen aan muizen, aan vocht, of aan ouderdom. De doos met het dossier dat uiteindelijk een einde aan zijn loopbaan zou maken, zij het indirect. Het vertrouwen bij het korps was weg, het vertrouwen in hemzelf was weg. Jack had lange tijd aan zichzelf getwijfeld. Had hij Sean laten ontsnappen? Hij wist immers dat de man er alles aan deed om uit de gevangenis te blijven. Waarom had hij hem tot op dat dak gevolgd? Waarom had hij niet geschoten? Jarenlang hadden die vragen hem achtervolgd, tot Jack ervoor had gekozen om zijn wapen en badge aan de wilgen te hangen en het politiewerk de rug toe te draaien, iets dat uiteindelijk nooit helemaal gelukt was. Zijn vrouw, zijn kinderen, allen hadden ze hem dat in verschillende maten kwalijk genomen maar Jack had het niet kunnen helpen. Hij was nu eenmaal wie hij was, en diep van binnen bleef dat altijd een politierechercheur. Ook als hij de grootste schurk uit zijn carrière had laten lopen uit een mislukt jeugdsentiment. Een halve glimlach vormde om Jack’s lippen terwijl hij het laatste papier op zijn bureau oppakte. Het opruimen was sneller gegaan dan hij had verwacht, van dit gedeelte tenminste. Een wrange glimlach vormde zich op zijn gezicht toen hij de ansichtkaart herlas. Verstuurd op de dag van zijn pensioen, een verbleekte palmboom bij een ondergaande zon op de voorkant, op de achterkant slechts vijf simpele woorden.

Je bent één van ons.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

error: Content is protected!!