Share this

Wikipedia: Mike Pennington

Vandaag in 1844 stierven de laatste reuzenalken, waardoor de soort uitstierf. Kussens en verzameldrang werden de ondergang van de vogels.

In de 19de eeuw stierven er vele diersoorten uit door jacht, door fascinatie in de natuur, door verkeerd natuurbeleid, en door andere menselijke factoren. De quagga onderging dat lot, en ook de reuzenalk verdween zo van de wereld.

De reuzenalk was, net als de pinguïn, een vogelsoort die niet kon vliegen maar die wel erg goed was in zwemmen. Daarom werd de soort na de ‘ontdekking’ beschreven als de enige pinguïn op het noordelijk halfrond, maar dit was een foute kwalificatie. Hoewel de alk en de pinguïn veel gemeen hebben, behoren ze niet tot dezelfde soort. Het grootste verschil was dat pinguïns enkel op het zuidelijk halfrond leven, terwijl de reuzenalk het noordelijk halfrond bewoonde. De soort leefde voornamelijk in het noordelijkste deel van de Atlantische Oceaan. De vogel was eeuwenlang bekend bij de nomadische stammen en latere volkeren van onder andere Groot-Brittannië, Noord-Amerika, en IJsland.

Jacht
De reuzenalk was niet alleen gespot door veel noordelijke volkeren, de vogel was ook onderdeel van het dagelijks voortbestaan. De eieren en het vlees van de vogels was voor veel jagers noodzakelijk om te overleven in de bittere kou, terwijl de dons en veren werden gebruikt bij het maken van kleren. Dit waren traditionele levenswijzen die eeuwenlang werden gehanteerd, en die uiteindelijk het einde van het dier betekende. Doordat gedurende de decennia de industrie en bevolking in de wereld toenam, nam ook de vraag naar de dons van de reuzenalk toe. De veren werden namelijk gebruikt voor het vervaardigen van kussens. Daarnaast gebruikten vissers, een beroepsgroep die ook steeds meer toenam, het vlees en de eieren van de vogels niet enkel meer om zelf te overleven, maar ook om roofvissen zoals zalm en makreel te lokken.

Groot-Brittannië was de eerste die inzag dat als de jacht zo doorging de reuzenalk de mens niet zou overleven, waarop de jacht op de soort werd verboden. Op hetzelfde moment gebeurde in Noord-Amerika echter het omgekeerde. Jarenlang was eiderdons gebruikt voor kussen, dekens, en warme jassen, wat ervoor had gezorgd dat de soort dreigde uit te sterven. Om dat te voorkomen besloten de Amerikanen in 1770 voortaan de dons van reuzenalken te gebruiken, onwetend over het besluit van de Britten.

Verzamelaars
De 19de eeuw was echter niet alleen een tijd waarin men meer luxueuze producten vervaardigde, het was ook de tijd van verzamelaars. Verzamelaars die collecties aanlegde en zo musea oprichtten. Het was een prestige om de meest wonderlijke en uitgebreide collectie in handen te hebben, en daarvoor werden veel natuurlijke objecten gezocht en aangeschaft. Toen het de verzamelaars ten oren kwam dat er steeds minder reuzenalken in de wereld waren, wilden ze allemaal een exemplaar hebben. Maar dan wel opgezet…

Zo ontstond er een nieuw soort jacht op de vogels, die werden gevangen, gedood, opgezet en verkocht. Onbevruchte eieren werden geprepareerd, bevruchte exemplaren werden weggegooid om zo bewust te zorgen voor schaarste. Want schaarste betekende een hogere prijs voor de exemplaren die wel nog bestonden.
Op het IJslandse eiland Eldey werden op 3 juli 1844 de laatste twee levende reuzenalken gedood door drie jagers. De twee waren een paartje, die op het moment van de vangst op een ei zaten te broeden. Het ei  sneuvelde onder één van hun laarzen. De dode vogels werden later voor grof geld aan een verzamelaar verkocht, terwijl niemand leek te beseffen dat er op die dag een diersoort was uitgeroeid.

Doordat er zoveel ‘materiaal’ van de reuzenalk bewaard is gebleven in musea, is het in theorie wel mogelijk om de vogel terug te brengen. Er zijn wetenschappers die ervoor pleitten om het proces van de-extinction te proberen met de reuzenalk.

Kleine ijstijd
De reuzenalk had het, voor de komst van de grootschalige industrie, al enige tijd niet makkelijk. Tijdens de Kleine IJstijd hadden de vogels moeten toezien hoe hun aantallen afnamen, omdat ijsberen over de grote hoeveelheid landijs makkelijker bij hun broedgebieden konden komen. De beren verslonden de eieren en de vogels die ze tegenkwamen.
Maar ook de mensen gebruikten dat ijs om de vogels makkelijker te bereiken, omdat de koloniën van de vogels meestal op onbereikbare rotskusten en eilanden waren gevestigd.

Share this