De onverbiddelijke nattigheid

byronv2 / via Foter.com / CC BY-NC

Het is koud, nat, mijn kleren zijn doorweekt en ik ben tot het bot verkleumd. Lente? Het zal wel. Ik had de zon al in geen weken gezien, en de kou was haast verlammend. Bewegingloos staar ik voor me uit, het geluid van rondspattend water – rond gegooid door langs razende autobanden en langs lopende schoenen – wordt van tijd tot tijd alleen overstemd door het geluid van mijn rammelende  maag. Ik veeg met mijn mouw langs mijn neus, een gebaar dat zich om de paar minuten herhaalt. De kou helpt niet tegen de vermoeidheid.

“Dank u,” mompel ik als ik iets in mijn bekertje hoor vallen. Het karton is slap door de regen, net als het bordje in mijn handen. ’16 pond voor een nacht in een hostel, help alstublieft’, staat erop, maar ik betwijfel of het nog te lezen is.
“Spare some change?” Met een ruk kijk ik op als de stem mijn oren bereikt. Op nog geen twee meter afstand zit een jongen. Ook voor zijn neus staat een bekertje. “Spare some change?” vraagt hij aan de voorbijgangers, die hem negeren en door blijven lopen. We zitten te dicht bij elkaar, verkleinen de kans dat iemand de portemonnee opent om wat geld af te staan. Ik voel de woede omhoog borrelen, kom met stramme benen overeind om op de jongen af te lopen. “Hé!” Hij doet alsof hij me niet hoort. Chagrijnig geef ik hem een duw. “Hé! Opdonderen vriend!”
Nu pas kijkt hij op. “Spare some change?”  Is deze gozer achterlijk of zo?! Zie ik eruit alsof ik geld kan missen? “Opdonderen, zei ik.” Ik geef hem nog een duw, de jongen valt, verweert zich alleen door zijn armen op te heffen. Het maakt me alleen maar kwader, maar voor ik verder iets kan doen zie ik een beweging in mijn ooghoek. Om ons heen zijn mensen blijven staan. Ik zie telefoons op ons gericht, vinders die naar mij wijzen, gemompel dat de lucht vult. Ik verstijf, me ineens vreselijk bewust van de aandacht die we trekken, aandacht die ik niet wil. “Asshole,” sis ik nog, grijp mijn bekertje van de grond en schiet tussen de mensen door. Daar ging mijn goeie, hard verworven plekje. En ondertussen kom ik nog zes pond tekort voor een bed vanavond.

Met soppende schoenen sjok ik over straat, mijn jas plakt aan mijn armen, klam en koud door de regen en de wind. Auto’s scheren langs, water spat op uit de plassen en mijn broek vertoont moddervlekken die ze in beweging brengen. Een wasbeurt zou ook geen vervelende avondbesteding zijn.
Met een zucht kijk ik door het raam van een koffiezaak. Gasten doen zich tegoed aan dampende koppen thee en gloeiende cappuccino’s, lunchen met een grote punt appeltaart of een roerei. Verlangend staar ik naar hen, mijn ogen staren terug naar me, weerspiegelend in de winkelruit. Twee smachtende ogen, in een mager, bleek gezicht. Jonge ogen in een oud gezicht, de maanden op straat hebben me jaren gegeven die ik niet verdien. Hetzelfde geldt voor mijn kleren.
“Hey! You!” De stem naast me doet me opschrikken. Als ik me omdraai kijk ik recht in het kwade gezicht van een tiener, die volgens zijn naamplaatje Derek heet en de manager is. Serieus? Deze snotneus is de manager? “Piss off mate. You’re upsetting my customers.” Met walging op zijn gezicht kijkt hij naar me, alsof ik een hoop stinkend afval ben. Goed, ik zal geheid zo ruiken, maar dat wil niet zeggen dat ik het verdien om zo behandeld te worden. “Excuse me?” vraag ik dan ook, half beledigd en half verbaasd. “This is public property, mate. And I haven’t done shit to upset your precious customers.” Het ventje ontploft bijna en geeft me een dauw, waarna hij snel zijn handen afveegt aan zijn broek, alsof ik besmettelijk ben. “Fuck off dude!” schreeuwt hij nog naar me. Snel, duidelijk bang voor me, schiet hij de winkel weer in. Woest staar ik hem kort door de glazen deur na, maar besluit dan de eer aan mezelf te houden en te vertrekken. Dit is geen goede plek, zelfs niet om even op adem te komen of om in een portiek te schuilen tegen de regen. Dat is duidelijk.

Als de nacht valt, kom ik nog altijd drie pond tekort voor het hostel. Ik weet dat ze me niet tegemoet zullen komen, wil daar ook niet voor bedelen. Met een stokbrood, bier, en een tweetal bananen maak ik het me comfortabel in de portiek van een kleine kerk. Het schamele geld dat ik had verzameld is nu gehalveerd, maar er zit tenminste weer wat voeding in me. Met een tevreden zucht trek ik het eerste biertje open, giet het zonder het echt te proeven naar binnen. Troost in een blikje, zo hoorde ik het iemand ooit noemen, en dat is mogelijk de beste beschrijving. De heerlijke roes maakt me slaperig, zorgt ervoor dat ik de kou minder voel. Zorgt ervoor dat ik mijn natte kleren niet meer storend vind. Met gesloten ogen laat ik mijn hoofd tegen de stenen achter me leunen. Een glimlach krult om mijn lippen terwijl ik de lichte roes voel toenemen. Lange tijd blijf ik zo zitten, de wereld buiten mijn stenen cocon wazig achter een grijs gordijn van regen terwijl de roes me meeneemt naar een warmere, zonnigere plek. Zolang ik mijn ogen niet open kan ik voor even de harde realiteit vergeten. De realiteit waarin ik dakloos ben, de realiteit waarin ik moet bedelen, de realiteit waarin ik door anderen als oud vuil word gezien. Het is de harde werkelijkheid, het is mijn werkelijkheid, maar ik kan ook kiezen wanneer ik die even negeer. Vanavond is zo’n moment. En morgen? Dat zie ik dan wel weer. Wanneer ik nu mijn ogen open zie ik lantaarnpalen als sterren in de plassen weerspiegelen, zie ik een kerktoren in licht baden. Wanneer ik nu mijn ogen open ben ik eventjes op een warme, prachtige plek.

___________________________

Met een zucht liet John de zwarte zak dichtritsen en wegdragen. Verderop stond zijn collega het verhaal van de pastoor op te tekenen. De pastoor die het levenloze lichaam die ochtend had aangetroffen. De lege bierblikjes vertelden de rest van het verhaal: het begin van de lente had ervoor gezorgd dat de nachtopvang gesloten was, en door de alcohol had de knul niet gemerkt dat hij onderkoeld begon te raken. “Altijd droevig, als het zo’n jonkie is,” hoorde de agent de ambulancebroeder zeggen. John knikte afwezig, terwijl hij zijn telefoon pakte.
“Hé schat, met mij. Ja, alles in orde. Zeg, komt Jimmy nog steeds eten vanavond?” De regen, nooit gestopt sinds de dag ervoor, sloeg van zijn pet af.

 

 

 

More and different short stories, can be found through here.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

error: Content is protected!!