De olympische egel

Hij kon dit! Echt waar! Ook al dacht iedereen dat hij gek was, hij zou bewijzen dat ze ongelijk hadden.
De zon stond hoog aan de hemel, het water glom, zag er heerlijk koel uit. Het nodigde hem uit om te bewijzen dat hij het echt wel kon.
“Weet je zeker dat dit verstandig is?” piepte Lisa. Ze keek hem nerveus aan. Maar hij wilde het niet horen.
“Eitje,” zei hij met een grote grijns. Met een grote plons sprong hij het water in, voelde zich er kort door opgeslokt worden. Hij trappelde, spartelde, schoot weer naar boven om lucht in te ademen.
“Wees voorzichtig,” hoorde hij Lisa nog roepen, maar hij luisterde al niet meer. Als hij de beste wilde zijn, moest hij dit doen. En hij wilde de beste zijn!

Arm naar voren, naar achteren, andere arm naar voren, niet stoppen met je benen te trappen. Hap naar lucht, arm weer naar voren, naar achteren, hap naar lucht. Als hij zwom kon hij nergens anders aan denken. Het enige wat hij kon doen was blijven bewegen, anders zonk hij als een baksteen.
Waar was hij eigenlijk? Voor een seconde stak hij zijn hoofd omhoog, keek hij om zich heen. Het enige wat hij zag was water. Nergens zag hij zelfs maar een streepje land. Lisa was nergens meer te bekennen. Zou hij al halverwege zijn? Het was onmogelijk om dat te weten. Boven hem zag hij alleen maar wolken, om hem heen blauwe golven ,en onder hem was het donker en diep. Nergens een bordje, of iemand om de weg aan te vragen. Hij was helemaal alleen.
Weer dook hij het water in. Hij moest blijven bewegen, blijven zwemmen, blijven doorgaan. Anders was hij straks doodmoe voordat hij de overkant had bereikt. En de overkant, daar ging het om. Hij moest dat halen, moest bewijzen dat hij het kon. Aan wie eigenlijk? Zijn armen sloegen als wieken om hem heen, hij leek net een windmolen. Een windmolen op zijn rug. Waarom moest hij zo ver zwemmen? Als je omringt bent door niets ga je nog wel eens nadenken, ook al had je daar eigenlijk nauwelijks tijd of energie voor, maar hij voerde toch een gesprek met de wolken.
“Waarom zwem je hier?” vroegen de wolken hem.
“Omdat ik de overkant moet halen,” zei hij terug.
“Waarom?” Ja, dat was eigenlijk best een goede vraag. Hij wist het zelf eigenlijk ook niet zo goed meer.
“Daarom,” zei hij dus, draaide zich weer op zijn buik en zwom verder. Hoe langer hij doorging, hoe donkerder het werd. Als hij zich nu op zijn rug draaide zag hij sterren boven zijn hoofd twinkelen. De maan scheen helder. En ondertussen was hij nog altijd niet aan de overkant. Zwom hij eigenlijk wel de goede kant op? Er was nog steeds niemand in de buurt, niemand die hem de weg kon wijzen. Hij had net een vis gezien, maar hij sprak geen vis’ en dus had hij het niet kunnen vragen. Zijn armen waren zo moe… Zijn oogleden zo zwaar… Maar hij kon niet stoppen. Dan zou hij zinken. Dan zou hij nooit bewijzen dat hij het kon. Hij moest doorgaan! Blijven zwemmen. Blijven spartelen.

“Moet je kijken wie ik in het zwembad vond.” De man hield de uitgeputte egel in zijn handen. Het beestje verroerde zich niet, lag enkel uit te hijgen. “Hij moet er ’s middags ingevallen zijn.”
“Ach, dat hij dat gered heeft,” klonk een vrouwenstem. Het was inmiddels immers ochtend. “Leg hem maar op de stenen, dan kan hij even bijkomen. De stakker moet de hele avond rondjes hebben gezwommen.”

Hij had de overkant gehaald…

 

 

 

More and different short stories, can be found through here.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

error: Content is protected!!