Linda Leestemaker

Ze waren op het geruis van de golven afgekomen, het had vredig en rustig geklonken. Pas toen ze dichterbij stonden hoorden ze het ware gebulder van het water langs de kliffen, uitgesleten door water en zout. Het had ze stil doen staan, overdonderd door het natuurgeweld, overrompeld door het enorme gevoel van ruimte en tijdloosheid. Deze klif had twee gezichten, zo leek het. Het ene was een rustige weide, waar schapen graasden en de grond zompig was door regen en het gestamp van hoeven, dat was een gezicht dat bij het slaperige landbouwgebied paste. En dan was er het gezicht van oudheid, van een zee die nooit was veranderd. Iets verderop, een stukje van de klif vandaan, stond het enige bouwsel in de directe omgeving. De kant naar de zee toe was een beetje ingestort, de wind was vanaf daar rustig om de rest van het bouwsel heen geleidt, de stenen afgesleten tot een semi-rond geheel. De dikke buik hield het bouwwerk op zijn plek terwijl de versteende wachter over de baai en het land erachter waakte.
Ze zetten hun rugzakken neer, gingen met een zucht zitten en sloten hun ogen. In de verte klonk het gekrijs van meeuwen, het geruis van zee en wind vulde hun oren. Het was niet moeilijk om af te drijven naar tijden lang geleden. Elke laag stenen fluisterden hun eigen verhaal, met de oudste op de onderste laag, al bijna deel geworden van de grond en van de klif. Honderden jaren oud, nog altijd hier, onverstoord door wind en regen door de dekking van anderen.

“Dit is een goede plek.” Alf plantte met een grijns de punt van zijn zwaard in de grond, keek nog eens rond en knikte toen zo stellig dat zijn rode baard bewoog in de wind. “Perfect!” Zijn zware stem rolde over de kliffen. Zijn mannen keken elkaar kort, twijfelachtig aan.
“Heer,” begon één van hen voorzichtig. “Weet u dat wel zeker?” De kliffen waren dan wel hoog, ze waren ook uitgesleten door weer en wind. “Wat als de klif afbrokkelt en het baken verdwijnt?” Dan zouden de schepen geen idee hebben waar ze waren, dan was al hun moeite voor niets geweest. Maar Alf wilde het niet horen, wuifde met een simpel gebaar dat gesputter de wind in.
“Dit is de plek,” verkondigde hij opnieuw. “Ik voel het. Over duizend jaar zullen onze nakomelingen hier zitten en vanaf ons baken naar dezelfde zee kijken als wij nu doen.” Hij kon hen al zien zitten, met hun rug naar een machtig rijk dat hij had helpen stichten. Een rijk dat zou bestaan uit moedige, zeevarende krijgers, en strijdbare vrouwen. Ze zouden niet stoppen tot ze de hele wereld hadden ontdekt!
Terwijl zijn mannen, zacht mopperend, op zoek gingen naar stenen keek de Viking naar de wilde zee. Witte sporen van zeeschuim zaten in zijn baard, zijn haren zaten verwilderd, zijn kleren waren stijf van het opgedroogde zeewater, de grijns op zijn gezicht was triomfantelijk. Niemand zou hen nog tegenhouden in hun reizen, in hun strooptochten, in hun zoektocht naar nieuw grondgebied. Holborn was pas het begin!

“Dus, hoe heet het hier nou?” Vragend keek hij haar aan. Loom opende ze een oog, al bijna slapend in de zon en de wind. “Holborn Head,” zei ze, waarna ze rechtop ging zitten en haar rugzak naar zich toe trok. “Wil je ook een koekje?”

 

 

 

More and different short stories, can be found through here.

Deel deze post