Category: Linda Doet (ook nog eens wat) (page 1 of 36)

En toen vielen de wetenschapsboeken aan…

“Ik geloof echt niet dat de aarde plat is hoor, echt niet. Maar er zitten best een paar goede punten in die theorie.” Het is deze zin die me als eerste ten oren te komt, misschien omdat het een zin is die je toch niet dagelijks hoort. De man gaat verder met zijn verhaal. Iets met straling van de zon, buigingen van sterren die langs de aarde schieten, en meer. Ik volg dit verhaal half, niet zozeer omdat ik de andere helft niet precies begrijp maar vooral omdat hij verder gaat met het verdedigen van de Flat Earth Theory terwijl hij naast een hele plank boeken over sterrenkunde staat. En dat op het Weekend van de Wetenschap!

Continue reading

Boeken, schrijvers en talen

“Goedendag, ik wil graag dat boek van Joel Dicker.” Dat is een schrijver die ik al even niet gehoord heb. Toch weet ik hem nog exact te vinden. Het was de eerste schrijver en het eerste boek waarmee ik te maken had toen ik stage liep bij De Bezige Bij. “De eerste of de tweede?” vraag ik nog, hij antwoord de eerste. Niet veel later verschijnt De waarheid over de zaak Harry Quebert op de toonbank, de klant kijkt ernaar alsof het een hoop vuilnis is en dan naar mij alsof ik iets zeer beledigends heb gezegd. “Ik wil de originele taal.” De toon herkent elke boekverkoper. Er zijn klanten die erop prat gaan alleen boeken in de originele taal te lezen (met extreme uitzondering als ze de originele taal niet machtig zijn). “Het spijt me meneer, ik heb deze titel niet in het Frans.”

“Het is geschreven in het Engels hoor.” Ik val stil. Echt stil. Oprecht stil. Even weet ik niet wat ik moet zeggen. “Eh… Nee, de originele taal is Engels.” Ik sla de cover van het boek om en wijs op de originele titel, La verite sur l’affaire Harry Quebert door Joël Dicker. De man kijkt er niet naar, zijn beledigde blik blijft op mij hangen. “De originele taal is Engels, de auteur komt uit Amerika.” Dat is niet waar en dat weet ik zeker want ik kon lastig een gesprek voeren met meneer Dicker toen hij langskwam bij zijn Nederlandse uitgeverij. Ik spreek namelijk geen Frans en zijn Engels is niet al te goed. “Meneer, hij is Frans.” “Hij is Engels, dat hoor je toch aan zijn naam? Joel Dicker.” Jowel Dikker, zo spreekt de klant de naam uit terwijl ik probeer mijn geduld te bewaren. En dat lukt eigenlijk niet. “Meneer, zijn naam is Joël Dicker en hij is een Franse Zwitser. Toen ik hem heb ontmoet heb ik moeten communiceren via een tolk en ik spreek vloeiend Engels.” De man valt stil, staart me nu verbaasd aan. Hoe kan ik, als werknemer van een boekwinkel, een auteur hebben ontmoet?
“Weet u dat zeker?” Ik gooi het boek nog net niet naar zijn hoofd, maar reken het wel af. Want hij spreekt geen Frans.

Twee weken later staat hij weer voor mijn neus, dit keer voor de nieuwste van Murakami. “Ik wil het in de originele taal,” zegt hij dit keer voor ik achter de toonbank vandaan kan komen. Ik trek een wenkbrauw op. Hij sprak geen Frans, maar wil wel Murakami in de originele taal? “Hoe goed is uw Japans?” Niet dat we Japanstalige boeken verkopen, maar dan nog. Zijn gezicht wordt weer zo veroordelend als vorige keer. “Hij schrijft in het Engels hoor.” Ik sla nog net niet mijn hoofd tegen de toonbank dit keer.

Ronde trots in de trein

Ze zijn met z’n zessen. Zes rauwdouwers, een voetbal, vrolijk gekleurde shirts, en een heleboel lawaai in alle mogelijke maten. Vanwege hun herrie vallen ze op, hun energie is haast aanstekelijk terwijl ze duidelijk van plan zijn om de tegenstander van het veld te blazen straks. Nog niet eerder zag ik een groep jonge voetballers in de trein zitten, ze zijn hoogstens acht jaar oud schat ik en ik heb ergens een beetje medelijden met hun moeders. De vrouwen sjokken er nogal achteraan en de meesten gaan apart van hun zoons zitten. Ze zijn moe, de vraag is of de wedstrijd net is afgelopen of nog moet beginnen, en hun kinderen duidelijk niet. Dat die de coupe bijna afbreken is niet hun zorg.

Een moeder en haar zoon kijken vragend naar mij, ik pak snel mijn jas van de stoel naast me en glimlach verontschuldigend. Natuurlijk kunnen ze hier zitten! Hij klimt op de stoel, zij gaat tegenover hem zitten en pakt een appel uit haar tas voor hem. Ik bekijk de twee in stilte, en via hem de rest van de groep die om ons heen zit. Niet zozeer omdat ik geïnteresseerd ben, maar vooral omdat hun groepsmentaliteit opvalt. Iedereen heeft een “taak”. Er is een leider, een grappenmaker, een slimmerik, iedereen heeft een rol en een paar voelen zich daar duidelijk heel prettig in. Maar sommigen ook niet. Ik herken het, elke volwassene herkent dit. Je halve leven ben je op zoek naar jezelf, probeer je dat te ontwikkelen, maar niet altijd werkt je omgeving daarin mee. Ook in deze groep zijn een paar jongens duidelijk op zoek naar zichzelf, sommigen zijn aan het groeien en hebben wat moeite met hun lichaam. Dat is niet bijzonder, ook dat hoort bij kind zijn. Maar het jongetje tegenover me lijkt niet op hen. Hij straalt kalmte uit, maar tegelijk heerst er onrust tussen hem en de rest van de groep. Hij is langer dan hen en het ongemak zit niet in zijn lichaam maar in zijn hoofd zo lijkt het. Storm in die ogen van hem, ogen die ik heel even zag toen hij de appel van zijn moeder aannam. Fronsend kijk ik naar hem, het jongetje heeft een huid zo donker als ebbenhout, zijn ogen zijn haast zo zwart als zijn haar. Hij heeft de bal in zijn handen, tenminste totdat een vriendje opspringt en hem weggrist. “Jij was echt slecht vandaag!” De provocatie in zijn stem zet zelfs mijn nekharen recht overeind. De wedstrijd is dus al gespeeld, en misschien wel verloren. Het jongetje tegenover mij kijkt rustig om, zijn moeder houdt de twee nauwlettend in de gaten. De andere moeder zit – net als de rest – iets verderop alleen maar op haar telefoon te kijken. “Dat klopt,” zegt het jongetje dodelijk rustig. Het interesseert hem duidelijk niet, het was immers maar een wedstrijdje. Een spelletje. Dat hij er zo luchtig over doet is duidelijk een schok voor zijn teamgenoot, er verschijnt woede in zijn ogen en dan zegt hij iets wat ik nooit had verwacht: “Ik dacht dat alle Brazilianen konden voetballen. Waarom voetbal jij dan als een meisje?”

Het is de moeder die ik naast me voel verstijven. Echt oprecht verstijven. Haar zoon blijft echter kalm. Sterker nog, hij recht zijn rug iets en heft zijn kin iets omhoog. Hij is trots, en hij laat zich niet uitdagen door de ander. “Niet alle donkere voetballers komen uit Brazilië,” zegt hij op ijskoude toon. “Mijn opa en oma komen uit Nigeria, en daar ben ik trots op. En een meisje zijn is geen belediging. Mijn zus kan voetballen als de beste, jij durft niet eens tegen haar te spelen.” Waarna hij zijn hoofd wegdraait en uit het raam kijkt. Hij is niet meer geïnteresseerd, de coupe is ijzig stil. De andere moeders bewegen hun vingers niet meer op hun telefoonschermpjes maar ze staren er wel nog naar. Ze hebben alles gehoord maar doen angstvallig alsof dat niet zo is, op één van hen na. Snel komt ze overeind en grijpt haar zoontje bij de arm voordat het jongetje nog iets kan zeggen. Waarschijnlijk is het verstandig, wat hij nu ook zegt kan de situatie alleen maar erger maken. De moeder naast mij kijkt enkel naar haar eigen kind, met een glimlach op haar gezicht en tranen in haar ogen. Haar zoon is trots op wie hij is, trots op zijn familie, trots op zijn achtergrond en verleden. Hij is niet bang. Hij is acht jaar oud en misschien wel dapperder dan veel mensen die ik ooit heb ontmoet. Ik hoop dat hij volgende keer wint, samen met zijn zus.

Older posts

© 2018 Leest&Maakt ‘t

Theme by Anders NorenUp ↑

error: Content is protected!!