Share this

Damnatio ad bestias, de woorden galmden nog in mijn hoofd. Mijn straf, mijn verdoemenis, het lot dat zich tegen me keerde. De Lotsgodinnen waren wreed om me deze straf toe te kennen, om te sterven in dezelfde arena waar ik zo vaak als overwinnaar was gekroond. Ze gunden me geen kans om glorieus te sterven, om nog één keer mijn kunsten te vertonen en te mogen schitteren in naam van mijn volk. Ze gooiden me, gestript van wapens, voor de wilde dieren. Om te dienen voor het vermaak van de duizenden toeschouwers, en als offer voor Lua, de gemalin van de almachtige Saturnus.

Een bittere smaak vormde zich in mijn mond. Een smaak van haat tegenover de lafhartige keizer Maximianus, die woorden van vrede had gesproken tegen mijn volk om hen over te halen zich in de buurt van Noviomagus te vestigen. Die ons, trotse Frisii had overgehaald om Rome te dienen door in diens legers te vechten, door diens keizers te eren. En nu, nu veroordeelde hij de mannen die zich als gladiatoren hadden gemeld om aan zijn belastingen te voldoen – door zijn achterbakse queastors tot deze vorm van slavernij veroordeeld – tot de dood. Om zijn lafhartige onderdanen te tonen dat hij ons onder de duim had, en met ons iedereen in zijn keizerrijk.
De haat sloeg om in een vuur, een vuur dat nauwelijks te temmen was. Woedend, onrustig ijsbeerde ik in mijn cel. Ik kon niets anders dan mijn lot tegemoet zien, erin berusten. Maximianus’ soldaten zouden me morgen de arena in dwingen, me dwingen te vechten met een wild beest. Een gevecht dat ik niet zou winnen, ik had het vaak genoeg plaats zien vinden. Het was wrang. Ik wist dat de Romeinse geschiedschrijvers ons omschreven als barbaren, dat we volgens hen mensenoffers brachten aan onze goden. En hier zat ik, klaar om te dienen als een offer aan hun goden, op hun grote feestdag Saturnalia. Klaar om mijn bloed te laten dienen als een betaalmiddel om een voorspoedige oogst, om te sterven in ruil voor een goed jaar. Een bittere glimlach vormde zich om mijn lippen. Het enige wat ik kon doen om deze Romeinen nog dwars te zitten, was zorgen dat mijn dood hen niet zou helpen in het brengen van een mooie nieuw jaar, maar zou dienen als voedingsbodem voor mijn wraak. Als betaalmiddel voor mijn eigen goden, mijn eigen volk. Ik zou niet vruchteloos sterven.

“Ave , imperator, morituri te salutant!” De woorden klonken bars, uit onze kelen gedwongen door de soldaten achter ons. Mijn vrienden, gladiatoren van een andere stam dan de Friezen, hielden hun monden gesloten. Hun blik was neergeslagen. Ze wisten dat het onrechtmatig was dat wij veroordeeld waren, dat wij hier vandaag zouden sterven zonder een kans ons te verdedigen. Het was al donker toen we naar buiten waren geleid om de keizer te groeten. Wat een symbolisme om juist vandaag te sterven, tijdens de langste nacht van het jaar. Ik voelde mijn mond een harde streep worden, maar wist dat mijn wraak uiteindelijk zoet zou zijn. Zoeter dan enige van deze Romeinen ooit zou kunnen voorspellen.

We keken elkaar kort aan, het voelde vals om ons tegelijk de ring in te sturen. Het was ons, vanwege onze oude glorie, nog net gegund om kleren te dragen tijdens deze executie. Want dat is het als je iemand zonder wapens de ring in stuurt: een executie. Zelfs met z’n drieën zouden we niet in staat zijn om de beesten die ze op ons af stuurden af te slaan, zouden we niet in staat zijn hier levend vandaan te komen. Tanrec en Aldo beseften dat net zo goed als ik, leken net als ik hun lot aanvaard te hebben ook al wist ik niet hoe zij hun einde tegemoet zouden gaan, of ze er op dezelfde wrange manier als ik vrede mee hadden omdat ze wisten dat wraak een gerecht is, dat het beste koud geserveerd wordt. Ik wist het niet, en besloot het niet te vragen. Het enige wat ik nog deed was me kort naar mijn broeders toedraaien. “Het is een eer met jullie in deze ring te staan,” zei ik tegen ze, in onze eigen taal. Ze knikten beiden, herhaalden mijn woorden. Het was ons afscheid, afgekapt door het geluid van de scharnieren van de hekken. Met een ruk draaiden we ons om, hieven onze vuisten als een onuitgesproken besluit niet zonder slag of stoot ten onder te gaan. Het geblaf was van een kilometer afstand al te horen. We hadden hierover gehoord, dat ze de wilde honden vingen en uithongerden, om ze daarna op gevangenen los te laten. Ik vond het spijtig, ik hield van honden, ik had er thuis ook een paar gehad voor ik me had opgegeven als gladiator. Maar ik prees mijn eigen leven hoger dan dat van hen.
We vochten zo goed als we konden, raakten gewond, maar konden elkaar na de eerste ronde nog aankijken, besmeurd met bloed en zand moesten we er wel uitzien als duivels. De ijzige stilte van het publiek vertelde ons in ieder geval dat dat het geval. Tien honden hadden we gedood, hun bloed kleefde aan onze handen, of  was dat ons eigen? Aldo kon niet meer staan, we zagen aan zijn gezicht dat het bloedverlies hem snel genoeg naar de onderwereld zou brengen, maar hij grijnsde breed. “Ik heb ze tenminste iets gegeven om bang voor te zijn,” zei hij, liggend op de grond, omringd door een groeiende rode cirkel. Ik glimlachte bevend naar hem, hield zijn hand vast. “We zien elkaar snel weer broeder.” Mijn stem was zachter dan ik zou hebben gewild. Ik wilde sterk blijven voor hem, maar zijn dood raakte me heftiger dan ik had verwacht. Hij was een Fries, mijn stamgenoot, mijn wapenbroeder. Zijn einde was wreed, vals, en toen zijn ogen voor eeuwig gesloten waren ging mijn kille blik naar het balkon waar de verrader Maximianus zich moest bevinden, verstopt voor de blikken van de gladiatoren. Maar de keizer kende geen genade voor ons.
Tanrec vond zijn einde op de hoorn van een dolle stier, maar de goden waren nog niet klaar met mij. De Romeinen zouden hun spektakel hebben. Zacht prevelde ik gebeden, verwensingen, en meer gebeden richting het hele scala van Noorse en Germaanse oorlogsgoden dat ik kende. Namen die mijn moeder mij had geleerd toen ik klein was, goden aan wie ik tijdens het leven maar weinig aandacht had besteed. Het waren immers mijn eigen handen geweest die me hadden gebracht waar ik nu was, en niet de gebeden die anderen prevelden. Dat de goden van de onderwereld klaar voor me waren, zag ik in de ogen van de leeuw. Met zijn wilde manen was het een imposant, maar tegelijk afschrikwekkend dier. Dit wezen moest gemaakt zijn door de zon zelf! En net als de zon sloop het heen en weer, peilend, zoekend naar een opening. Niet dat hij lang hoefde te zoeken, ik had de energie niet meer om mijn vuisten te heffen, geen kracht meer om me te verzetten toen ik het dier op mijn borst voelde springen, zijn tanden in mijn keel voelde. Misschien was dit het meest vredige einde dat de goden nog voor mij in petto hadden, te sterven door een dier dat zijn slachtoffer doodde voor het begon te eten.

De leeuw, machtiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen op basis van zijn beeltenis op munten, liep bij me vandaan, rustig wachtend tot het lot zijn tol zou eisen. Alsof het me nog de kans wilde geven voor een waardig, een doelbewust einde. Mijn hand ging naar mijn keel, ik voelde de warmte van bloed nog voordat mijn benen onder me uit zakten, nog voordat datzelfde bloed het zand rood kon kleuren. Dat eeuwige zand, dat altijd ruw had gevoeld onder mijn voeten, dat nu in mijn haren en aan mijn gezicht plakte. Dat roodgekleurde zand, dat geen offer zou zijn voor hun geliefde Saturnus. Nee, mijn bloed zou voor niemand anders vloeien dan voor Wodan zelf. Ik voelde het hemd dat ze me hadden gegeven scheuren, hoorde iemand een kreet slaken toen de valknut, speciaal voor deze gelegenheid op mijn borst getekend met houtskool, tevoorschijn kwam. Met mijn laatste kracht wist ik een geluid uit mijn keel te wringen, een laatste smeekbede aan de oorlogsgod om mij en mijn broeders te wreken, om de arrogante Romeinen te straffen voor hun verraad aan onze stam. Ik keek op, naar de sterren, naar de maan boven mijn hoofd. Een glimlach vormde zich om mijn lippen. Mijn laatste offer zouden ze niet krijgen, de leeuw mocht me nu hebben.

 

 

 

More and different short stories, can be found through here.

Share this