Share this

230 miljoen. 230.000.000. 230 met zes nullen.

230 miljoen jaar, het eerste wat in me opkomt zijn dinosaurussen. De wereld zonder continenten zoals wij ze elke dag op wereldkaarten zien. Een tijd voor de piramides, voor Skara Brae, voor de mensheid, voor de dieren zoals wij ze kennen. Een tijd voor… voor het bestaan van de tijd.

Het stukje steen in mijn hand was ooit hout. In tegenstelling tot vele soortgenoten verging deze boom niet, in de juiste bodem versteende het hout. Om 230 miljoen begraven te blijven.

230 miljoen jaar. Deze boom heeft de verschuivingen van de continenten meegemaakt, diep begraven in de grond. Terwijl mensen samenlevingen op de grond bouwden was dit stuk gesteente deel van de fundering. Een vreemd idee, in het leven heeft deze boom nooit een mens gezien simpelweg omdat ze nog niet bestonden. Hij heeft nooit aan de oevers van de oceaan Panthalassa gestaan, maar wel diens effecten gevoeld terwijl de moessons elk jaar de bladeren teisterden en aan de takken rukten. Misschien is deze boom, of tak, op die manier wel gesneuveld. Afgerukt door de wind terwijl een saurosuchus stond te schuilen. Of is een hongerige hyperodapedon het einde geworden?
Wat het einde ook betekende, het leven ging verder als mineraal in de grond. Vanuit daar was dit stukje steen een stille getuige van de eerste mensen op Madagascar, in 2000 voor Christus. Er hebben nooit lemuren aan deze tak geslingerd, hij is nooit als brandhout geëindigd waardoor de as nooit als vruchtbare grond is gebruikt voor andere planten. Waar het het lot was van soortgenoten om geïsoleerd te raken van de rest van de wereld toen Pangea uit elkaar scheurde en Madagaskar zich verder ontwikkelde met minimale invloed van andere landen, een lot waarin ze zouden vergaan en als voedingsbodem zouden dienen voor opvolgers, zo verging het dit hout niet. Het versteende, verging niet, werd een harde plek in de verder zachte aarde.

Vergaan, en toch gebleven. Als stille getuige van miljoenen jaren geschiedenis.

Share this