Linda Leestemaker

Ze waren op het geruis van de golven afgekomen, het had vredig en rustig geklonken. Pas toen ze dichterbij stonden hoorden ze het ware gebulder van het water langs de kliffen, uitgesleten door water en zout. Het had ze stil doen staan, overdonderd door het natuurgeweld, overrompeld door het enorme gevoel van ruimte en tijdloosheid. Deze klif had twee gezichten, zo leek het. Het ene was een rustige weide, waar schapen graasden en de grond zompig was door regen en het gestamp van hoeven, dat was een gezicht dat bij het slaperige landbouwgebied paste. En dan was er het gezicht van oudheid, van een zee die nooit was veranderd. Iets verderop, een stukje van de klif vandaan, stond het enige bouwsel in de directe omgeving. De kant naar de zee toe was een beetje ingestort, de wind was vanaf daar rustig om de rest van het bouwsel heen geleidt, de stenen afgesleten tot een semi-rond geheel. De dikke buik hield het bouwwerk op zijn plek terwijl de versteende wachter over de baai en het land erachter waakte.
Ze zetten hun rugzakken neer, gingen met een zucht zitten en sloten hun ogen. In de verte klonk het gekrijs van meeuwen, het geruis van zee en wind vulde hun oren. Het was niet moeilijk om af te drijven naar tijden lang geleden. Elke laag stenen fluisterden hun eigen verhaal, met de oudste op de onderste laag, al bijna deel geworden van de grond en van de klif. Honderden jaren oud, nog altijd hier, onverstoord door wind en regen door de dekking van anderen.

Continue reading