Share this

“Aah kom op! Nog één drankje.” Dylan was waarschijnlijk de enige in de bar die niet hoorde hoe dubbel haar tong inmiddels was. De barvrouw schudde meewarig haar hoofd. “Een glas water, dat wil ik je nog wel serveren.”
Shit, wat was ze schattig met die bezorgde toon, dacht Dylan. Die donkerbruine ogen deden haar haast smelten.
“Maar ik ben nog lang niet dronken,” klaagde de jonge vrouw, een vaste en ervaren kroegtijger, lallend. Alsof ze haar ogen niet maar nauwelijks kon openhouden. Het notitieboekje dat ze mee had genomen naar de bar lag vergeten naast haar, half in een plas bier. De letters die in aanraking waren gekomen met het vocht waren net zo hopeloos uitgelopen en vergaan als alle goede intenties die Dylan die avond had gehad. Ze zou gaan schrijven, eindelijk weer een eigen project starten, iets waar ze energie van kreeg en gelukkig van werd naast het werk dat ze zo verafschuwde maar wat haar voorzag van een inkomen dat haar huur betaalde. In plaats van dat alles was ze een bar binnengelopen en had ze zichzelf volgegoten met goedkoop bier. Er was geen letter op papier verschenen.

Het glas vloog zo plotseling voor haar neus dat Dylan bijna van schrik van haar stoel viel, er kort van overtuigd dat het een spook was dat ze in haar ooghoek zag aankomen. Het kostte haar zwaar benevelde brein een flinke hoeveelheid secondes om te realiseren dat het geen spook, maar een bierglas was. Een bierglas dat ze met een grote grijns aannam om een stevige slok te nemen. Met een verwrongen gezicht en een flinke klap zette ze het glas terug op de toog, vechtend om het vocht door te slikken in plaats van terug te spugen.
“Dit is slecht bier,” klaagde ze luidkeels. “Het smaakt naar niets.”
De bezwaarde blik van het barmeisje werd nog iets bezorgder. “Het is water,” zei ze zacht, met haar zangerige stem. Eerder was die charmant geweest, had Dylan geconstateerd, maar nu begon hij op haar zenuwen te werken. Ze wilde gewoon nog een drankje, waarom moest dit wicht nou zo moeilijk doen? Maar ergens was er, heel zacht, nog een stemmetje dat redelijkheid probeerde te bepleiten. Als ze dacht dat water bier was, misschien had ze dan toch wel een beetje te veel gedronken.
“Hé, als de dame een drankje wil dan serveer je dat, trut.” De barse stem deed Dylan weer bijna van haar stoel vallen. Hij was zo luid en zo dichtbij. Vooral zo dichtbij. Met grote ogen keek ze op naar de man, vaag registreerde ze een baard, brede schouders en groene ogen maar de details van zijn gezicht en gelaat gingen aan haar voorbij. Verloren in de waas die haar hersenen in zijn grip hield. Het was een stevige grip, Dylan voelde zich een beetje wiebelig en misselijk. Ongemakkelijk, een gevoel waar ze haar leven lang een hekel aan had gehad maar dat ze steeds vaker voelde. De blik van de barvrouw ontging haar.
“Ik serveer wie ik wil en ik denk dat jullie beiden wel genoeg hebben gehad.” Van de eerdere bezorgdheid was weinig meer te bekennen. Een hand werd om Dylan’s arm geklemd.
“Kom op mop, ik weet een tent zonder deze kapsones.”

Het ergste was dat Dylan wist dat met hem meeging enkel omdat er meer drank in het verschiet stond. Ze wilde nog niet naar huis, de plek met het eeuwig knipperende antwoordapparaat waarop berichten stonden van haar eeuwig teleurgestelde moeder. De plek waar haar computer de vele e-mails van haar werkverslaafde baas ontving. De plek die leeg was, en kaal, omdat ze nooit de tijd en rust kreeg om het echt haar eigen plekje te maken. Dus klom ze van de barkruk en volgde ze de onbekende man de nacht in, zoals ze al zo vaak had gedaan.

Share this